Mogelijk ontmoeting tussen koning Hussein en Rabin

WASHINGTON, 1 SEPT. Voor het oog van de wereld rukken en trekken de Israelische en Arabische vredesonderhandelaars in Washington een beetje aan elkaar, zonder de ander zichtbaar van zijn plaats te krijgen. Maar volgens geruchten van Arabische zijde is president Bush van plan volgende week een gemeenschappelijke ontmoeting te houden met koning Hussein van Jordanië en Israels premier Yitzhak Rabin. Hussein heeft Rabin vroeger al in het geheim ontmoet. Maar de berichten erover van Israelische zijde werden van Jordaanse officiële zijde steevast met grote stelligheid ontkend.

Nu echter zouden de twee - zo zegt men in Arabische kring - elkaar niet in het geniep maar in aanwezigheid van president Bush de hand schudden, als Rabin naar Washington komt om een joodse organisatie toe te spreken, en koning Hussein, na zijn nieroperatie in een Amerikaans ziekenhuis, afscheid van Bush neemt. Van Israelische zijde werden de geruchten bevestigd noch ontkend. Bush zou zo'n gemeenschappelijk plaatje voor zijn verkiezingscampagne uitstekend kunnen gebruiken. Het zou wederom zijn leiderschapskwaliteiten, waarop hij zich zo nadrukkelijk beroemt, onderschrijven.

Mogelijk is het bericht over de top-ontmoeting één van de fantasieën om de Israelisch-Arabische vredesonderhandelingen wat op te fleuren. Dat is broodnodig omdat de zesde onderhandelingsronde tussen Israel en zijn Arabische buren, die gisteren haar tweede week inging, lang niet zo zonnig is als een week geleden nog leek. De beleefdheid is gebleven, de afschuw voor elkaar echter behoorlijk toegenomen.

De onderhandelingen zeuren ook daarom zo door omdat geen van de delegaties over politieke leiders beschikt, zodat men geen knopen kan doorhakken. Onder die omstandigheden staat alleen één ding vast: de onderhandelingen gaan gewoon door - wat er ook gebeurt - omdat geen van de partijen ze eenzijdig durft af te breken. Dat zou de Amerikaanse president namelijk te zeer vertoornen.

Daarom zeggen diverse waarnemers dat de steeds zuurdere opmerkingen normaal zijn, een onvermijdelijk onderdeel van de tactiek bij onderhandelingen. En zoals ook normaal, worden de zuurste opmerkingen door die partijen geplaatst die zich het zwakst voelen - de Libanezen en de Palestijnen.

De Libanezen hebben het gevoel door Israel niet voor vol te worden aangezien, niet als een apart land met een eigen wil en een eigen soevereiniteit. Ze zijn woedend dat Israel enerzijds volhoudt geen enkele territoriale claim op Libanon te hebben, maar anderzijds weigert om uitspraken te doen hoe en wanneer het zich uit de bezette "veiligheidszone' in Zuid-Libanon terugtrekt.

De Israeliërs zeggen dat Libanon eerst een aantal "veiligheidsmaatregelen' moet nemen, bij voorbeeld de militie van de radicaal-shi'itische beweging Hezbollah uitschakelen. De Israeliërs weten dat dit een onmogelijke eis is, omdat Syrië dat vooralsnog niet toelaat. Dus stelden zij als doekje voor het bloeden een aantal "vertrouwenwekkende maatregelen' (CBM's) voor in hun bezette zone. Dat werd door de Libanezen verontwaardigd van de hand gewezen als een geniepige poging Israels bezetting te handhaven en te rechtvaardigen.

De indruk bestaat dat de Israeliërs inderdaad niet erg serieus met de Libanezen onderhandelen, omdat zij ervan uitgaan dat Syrië de werkelijke baas over Libanon is. Daarom koppelen zij, zonder het met zoveel woorden te zeggen, het resultaat van de onderhandelingen met Syrië aan die met Libanon. Reden voor de Libanese delegatieleider Souheil Chamass om de Israeliërs donderdag te vertellen dat hij zich te ziek en te vermoeid voelde om gisteren met de onderhandelingen door te gaan. Maar vrijdag deelde hij de pers mee dat de dag uitstel een politiek karakter had, bedoeld om de Israeliërs extra tijd te geven hun onaanvaardbare standpunten nog eens te her-overwegen.

De Palestijnse woordvoerster Hanan Ashrawi opent elke persconferentie met een reeks van beschuldigingen aan het adres van Israel om duidelijk te maken dat de vertrouwenwekkende maatregelen van de regering-Rabin in feite niets te betekenen hebben, dat de schendingen van de Palestijnse mensenrechten onder Rabin gewoon doorgaan, dat de Israelische regering de Palestijnen niet de mogelijkheid biedt om ècht te onderhandelen, en dat hetgeen de Israeliërs aanbieden, voor de Palestijnen volstrekt onacceptabel en verwerpelijk is.

De aangeklaagde partij - Israel - gaat tot dusver op geen van die beschuldigingen publiekelijk in en beperkt zich ertoe om even zuur de Palestijnen te verzoeken nu eens eindelijk tot de kern te komen van de huidige onderhandelingsronde.

Op het eerste gezicht lijken de Palestijnse beschuldigingen ten dele correct, ten dele sterk overtrokken, en ten dele in het huidige onderhandelingsstadium niet ter zake doende. De CBM's zijn voor de Palestijnen in de bezette gebieden inderdaad nog minimaal, de recente schendingen van de mensenrechten, waarover de Palestijnen berichten echter ook niet zo indrukwekkend.

Veel belangrijker is dat de Palestijnen in de huidige onderhandelingsfase machteloos staan om de bouw van huizen in Oost-Jeruzalem tegen te houden of Jeruzalem als territoriale kwestie op de agenda te zetten. De Amerikanen willen dat eenvoudig niet.

Evenmin hebben de Palestijnen een bevredigend antwoord van de Israeliërs gekregen op hun verzoek om inzage te krijgen in de openbare gegevens, bij voorbeeld over de Palestijnse bevolkingsregisters. Israel heeft, volgens Hanan Ashrawi, gezegd dat de Palestijnse bevolkingsregisters pas overhandigd worden, zodra men over de Palestijnse verkiezingen gaat onderhandelen.

Zo ver is het nog lang niet. De voorstellen van de twee partijen daarover zijn onverenigbaar. De Palestijnen willen via verkiezingen een wetgevende vergadering in het leven roepen, de Israeliërs willen via verkiezingen een bestuursorgaan creëren, dat maximaal verordeningen kan uitvaardigen.

Israel sluit in het huidige stadium een Palestijnse wetgevende vergadering ten enen male uit omdat zo'n parlement de bron van soevereiniteit zou vormen en daarmee de inzet van een onafhankelijke Palestijnse staat. Een Palestijnse wetgevende vergadering zou alle door Israel ingevoerde wetten, bepalingen en verordeningen kunnen afschaffen, en zelfs in principe een Palestijnse staat uitroepen.

Omgekeerd vinden de Palestijnen een te kiezen Palestijns bestuursorgaan onaanvaardbaar, omdat dat zou werken onder de wetten en verordeningen van Israel. Daarmee, zo zeggen de Palestijnen, wordt de Israelische bezetting gewoon gecontinueerd met behulp van Palestijnse bestuursambtenaren. Bovendien gaan de Palestijnen niet akkoord met het Israelische idee dat het Palestijnse zelfbestuur zich over mensen uitstrekt en niet over land.

Om uit die impasse te komen gaan de twee partijen nu zeer waarschijnlijk eerst in subcommissies of werkgroepen praten over de wettelijke structuren en over de mensenrechten in de bezette gebieden. Dan kan men stuk voor stuk overeenkomen welke bepalingen van de Israelische bezetters afgeschaft worden, dan wel gehandhaafd blijven. Daarna zou het voor de Palestijnen een stuk minder moeilijk worden om met een eigen bestuursorgaan genoegen te nemen.