Kinderbescherming gekort; Kabinet zet mes in hulp voor de jeugd

DEN HAAG, 1 SEPT. De instellingen voor de kinderbescherming zullen volgend jaar meer dan de helft van hun budget moeten bezuinigen. Van het huidige budget voor de jeugdbescherming van 379 miljoen blijft ongeveer 170 miljoen gulden over.

Het aantal ondertoezichtstellingen van minderjarige kinderen is sinds 1984 met vijftig procent toegenomen. Sinds 1988 is de stijging gemiddeld 600 per jaar tot totaal 12.742 in 1991. Bovendien wordt bij de voorgenomen bezuinigingen op Justitie, die op Prinsjesdag officieel worden bekendgemaakt, geen rekening gehouden met de kosten die voortvloeien uit de reorganisatie van de raden voor de kinderbescherming en instellingen voor (gezins)-voogdij. De reorganisatie moet leiden tot de instelling van nieuwe bureaus jeugdbescherming.

De voorzitter van de Vereniging van secretarissen van de Raden voor de Kinderbescherming, B. van Gent, zegt in een eerste reactie “niet te weten hoe ze die bezuinigingen voor elkaar moeten krijgen. Dit ligt geheel buiten de werkelijkheid. Er is juist geld nodig voor de vernieuwing.”

Volgens de Bredase kinderrechter mr. P. van Teefelen staan de voorgenomen reorganisatieplannen “bol van goede voornemens”, maar hij vraagt zich af hoe de situatie beter kan worden met zo weinig geld. Ook is nog onduidelijk hoeveel geld er zal gaan naar de instellingen voor (gezins)-voogdij die in de nabije toekomst zullen worden belast met de uitvoering van de ondertoezichtstellingen (ots). Nu zijn kinderrechters nog met die uitvoering belast. Het kabinet is onlangs akkoord gegaan met een wetsvoorstel van staatssecretaris Kosto (justitie) dat het aantal taken van de kinderrechter beperkt. Het wetsvoorstel ligt voor advies bij de Raad van State.

Volgens Van Teefelen zijn de instellingen voor (gezins)voogdij op dit moment nog onvoldoende toegerust voor hun nieuwe taak. “Er is sprake van een gebrek aan juridische kennis. Ik vraag me af hoe met deze begrotingscijfers geld kan worden uitgetrokken voor het aantrekken van voldoende deskundigen.”

Zijn Alkmaarse collega mr. M. Otterspoor wijst eveneens op de noodzaak om onder anderen orthopedagogen en psychologen bij instellingen voor (gezins)voogdij onder te brengen. “De staatssecretaris heeft al een jaar geleden toegezegd dat dat zou gaan gebeuren. Ik heb er nog weinig van gemerkt.”