Internationale auteurs reageren verbaasd op plagiaatdiscussie in Nederland; "Werkwijze Van Dis is ongeoorloofd'

ROTTERDAM, 1 SEPT. De Poolse reisjournalist Ryszard Kapuscinski is verrast. Niet zozeer door de mededeling dat de reisauteur Adriaan van Dis plagiaat heeft gepleegd, maar vooral door de opwinding die deze kwestie in Nederland veroorzaakt. “Over plagiaat is geen discussie mogelijk. Het is in strijd met de definities van de internationale schrijversorganisatie PEN. Het verbaast me dat over dit onderwerp in Nederland zelfs nog gediscussieerd wordt.”

Kapuscinski, auteur van ondere andere het - in veertig talen vertaalde - boek De Keizer over Haile Selassie van Ethiopië, behoort samen met Paul Theroux en V.S. Naipaul tot de belangrijkste hedendaagse schrijvers van reisliteratuur; een genre dat Nederlandse auteurs als Adriaan van Dis, Cees Nooteboom en Lieve Joris ook beoefenen.

De citaten die Van Dis in Het beloofde land zonder bronvermelding overnam uit de antropologische studie Waiting: the Whites of South-Africa van Vincent Crapanzano, heeft hij vervolgens aan eigen personages toegeschreven. “Dit is absoluut niet toegestaan en geen normale reporter-procedure”, oordeelt Kapuscinski.

Hij krijgt daarin bijval van de Amerikaanse schrijver Tom Wolfe, de "vader' van het in de jaren zestig ontstane New Journalism, het persoonlijk en literair getinte verslaggevers-genre. Wolfe: “Een kwestie als deze heeft niet specifiek met reisschrijvers te maken: een auteur moet àltijd zijn bronnen noemen, ook al citeert hij uit Genesis.”

Wolfe is niet gevoelig voor Van Dis' argumentatie dat hij in het gebied tussen fictie en non-fictie - faction genaamd - werkt, waarbij hij de werkelijkheid met het "instrumentarium van de romancier' beschrijft. “Faction of niet, er is geen enkel excuus voor plagiaat. Ook de vorm is geen excuus. Fictie en non-fictie zijn bovendien twee gescheiden dingen. Je schrijft de waarheid of niet, zo simpel is het.”

Kapuscinski reageert laconiek op het feit dat Van Dis zich vorige week in deze krant afvroeg of de Pool wel de dialogen in de gangen van het paleis heeft gehoord, die hij in zijn boek De Keizer weergeeft. “Als ik zou liegen, zou ik zo door de mand zijn gevallen, want mijn boek is door zoveel mensen gelezen. Mijn dialogen zijn gebaseerd op de echte dialogen. Als ik citeer, schrijf ik altijd waar ik het vandaan heb.”

Bronvermelding noemt hij “elementair”. “Ik let heel erg op het noemen van bronnen, inderdaad tot en met citaten uit de bijbel. Als je het niet doet, komt de buitenwereld daar toch altijd achter.” Volgens de Poolse journalist is het buiten kijf dat een reisauteur “zo veel mogelijk de realiteit moet beschrijven”. “Van Dis mag zijn werk best faction noemen, maar hij haalt twee dingen door elkaar: de techniek van de romancier en zorgvuldig zijn in je bronnen.”

Dat Van Dis uitspraken van een missionaris uit Crapanzano's werk in de mond heeft gelegd van een politieman vindt Kapuscinski “niet geoorloofd”. “Het verwisselen van citaten is niet toegestaan omdat betekenis en context van uitspraken al snel kunnen veranderen. We mogen niet zomaar gesprekken verzinnen, want dan is het geen reisliteratuur meer, maar fictie of een kort verhaal. Wie zegt wat, welk beroep heeft de spreker heeft en hoe oud is hij of zij? Dat moet allemaal gebaseerd zijn op feitelijke berichtgeving.”

De lezer moet er in het non-fictie-genre op kunnen vertrouwen dat wat de auteur beschrijft echt gebeurd is, meent Kapuscinski. “Ik kan me bij Bruce Chatwin toch niet gaan afvragen of in zijn boeken alles wel ècht gezegd is?”

Bill Buford, hoofdredacteur van Granta, een toonaangevend literair en journalistiek blad in de Engelssprekende wereld, onderstreept dat niet alle reisauteurs op dezelfde manier werken. “Sommigen veranderen geen enkel detail. Anderen wijzigen kleine dingen zoals kleding van mensen en tijdstippen. En ten slotte is er nog de geaccepteerde vrijheid van de verhalenschrijvers, die hun vertelling manipuleren om het zo dramatisch mogelijk te maken. Als Van Dis al dat laatste zou hebben gedaan, dan is hij niet de enige.”

Volgens Buford “lenen” auteurs frequent van elkaar. “Maar ik heb het bij Granta nog niet meegemaakt dat iemand vergat zijn bronnen te noemen.” Buford vindt dat reisauteurs “zo waarlijk mogelijk” moeten schrijven. “Over wat dè waarheid is kunnen we een eindeloos debat voeren. Ik lees graag wat de schrijver denkt dat de waarheid is. Zijn waarheid, ook al is het geen absolute waarheid. Daarbij moet hij feiten presenteren die objectief controleerbaar zijn. Doet hij dat niet, dan zit hij fout.”

De Nederlandse reisauteur Lieve Joris, schrijfster van boeken als Terug naar Kongo en Zangeres op Zanzibar, zegt zich altijd aan de werkelijkheid te houden. “Ik heb te weinig fantasie en ik zou zelf niet eens kunnen bedenken wat ik allemaal meemaak. Wat ik in mijn werk soms doe is personages, die dezelfde mening weergeven, samenvoegen tot één. Als schrijver balanceer je altijd een beetje tussen fictie en non-fictie.”

Zij hoopt dat in de verdere discussie over de kwestie-Van Dis minder op de man wordt gespeeld. “Alles spitst zich nu toe op een paar citaten maar aan zijn literaire kwaliteiten wordt voorbij gegaan.” Kapuscinksi vindt het in ieder geval verstandig dat Van Dis zijn excuses heeft aangeboden: “Hij loopt nu toch al het gevaar dat iedereen zijn volgende boek met wantrouwen zal lezen.”