Gesprekken

De schrijver rijdt in zijn auto langs het meer van Genève. De motor schreeuwt en steunt, hij is kapot.

De schrijver zet zijn auto langs de kant van de weg, loopt de stad in, gaat een hotel binnen en zet zich neer in een stoel in de lobby. In de stoel naast hem “materialiseert een silhouet”. De twee mannen in de lobby praten over vlinders. Of hun kleurenpracht functioneel kan zijn, zoals de evolutionisten denken, of dat het uitbundige speelsheid van de natuur is, zonder praktisch nut. Wie is dat gematerialiseerde silhouet? De schrijver houdt het nog even voor zich, maar de lezer begrijpt al dat het silhouet een andere en grotere schrijver moet zijn, Vladimir Nabokov.

Het biologische gesprek gaat verder. Kan een mens zich in de ervaringen van een vlinder verplaatsen? Nabokov zegt dat de wetenschap heeft aangetoond dat de wereld van ieder dier anders is. Onvergelijkbaar met de wereld van de mens, maar even waar en rijk. Iedere soort ontvangt op een unieke manier verschillende stimuli uit de buitenwereld, en die stimuli zijn niet vluchtig, maar worden in het zenuwstelsel gegraveerd. Engrams noemt de wetenschap die blijvende veranderingen van de hersenen door indrukken van buiten. Het kan dus eigenlijk niet, je verplaatsen in een vlinder. Niet alleen is de buitenwereld van de vlinder anders, ook het apparaat waarmee die wereld ervaren wordt is principieel verschillend van het onze. Maar Nabokov heeft het toch gedaan. Het eiste een bijzondere sprong van de verbeelding. Hij voelde de lucht onder zijn vleugels glijden. De bladeren zijn schubben strelen. Hij hoorde de bloembladen onder zijn snuit, hij voelde de komst van de herfst in zijn borststuk en rook een verre storm in zijn voelsprieten. Het genot van de larve die aan de netels knaagt. De delirante groei van vleugels, diep in de cocon. “Dat betekent het om een vlinder te zijn. Een labyrint van extases.”

Het gesprek wordt nog een tijdje voortgezet, dan zegt Nabokov dat het tijd voor zijn avondmaaltijd is, hij loopt weg en de schrijver die dit alles heeft opgetekend gaat naar buiten om zijn auto weer eens op te zoeken.

Die schrijver is de Amerikaan Frederic Prokosch en het boek waarin dit gesprek staat heet Voices, A Memoir. Een verzameling gesprekken. Prokosch lijkt in zijn leven met vrijwel iedere kunstenaar te hebben gesproken die belangrijk was in de eerste helft van deze eeuw. Joyce, Pound, Eliot, Mann (Thomas, Klaus, Erika), Auden, Gertrude Stein, Dylan Thomas, Gide, Malraux, Yourcenar, Hemingway, Brecht, De Chirico, Chagall, Malaparte, Visconti. Ik kies er slechts een paar van de beroemdste uit. Noem een schrijver, uit Europa of Amerika, en de kans is groot dat hij in het boek van Prokosch voorkomt.

Prokosch is net als Nabokov een vlinderjager, en het lijkt of hij zijn net maar in de lucht hoeft te steken of hij vangt een beroemdheid. Hij bezoekt een tentoonstelling in Venetië en raakt toevallig in gesprek met de maker van het werk, De Chirico. Ze drinken koffie op een terras. Dan steekt Prokosch het plein over en treft op het terras aan de overkant Auden. Een paar straten verder herkent hij Chagall. Hij stelt zich voor, ze praten wat. Chagall laat zijn portefeuille in een gracht vallen, Prokosch springt in het water, vist hem op en uit dankbaarheid maakt Chagall een tekening voor hem. Ach, Venetië.

“Alles is waar voor zover ik het waar kon maken”, schrijft Prokosch in zijn voorwoord. “Gezichten, plaatsen, stemmen, stiltes - ze waren er allemaal, ze waren allemaal echt.” Ik weet niet of iemand er wel eens aan getwijfeld heeft of al die gesprekken werkelijk gevoerd zijn. Het komt ongetwijfeld door de tijd van het jaar dat ik het wel deed toen ik het boek onlangs las. Was het niet toevallig dat bijna al die beroemde kunstenaars waarmee Prokosch gesproken had, dood waren toen zijn boek uitkwam, in 1983? Waarom waren er zo weinig gesprekspartners die het verslag van hun gesprek nog zouden kunnen tegenspreken? Op latere leeftijd verloor hij zijn smaak voor het verzamelen van beroemdheden, schrijft Prokosch. Kan zijn.

Een prachtige en krankzinnige conversatie met het echtpaar Leavis, de gevreesde Engelse literaire critici. T.S. Eliot heeft ons in de steek gelaten, zegt Leavis somber. Ik zal hem nooit vergeven voor zijn laatste werk. Hoe moeten we het noemen, Queenie? Irrelevant, zegt zijn vrouw. Precies. Auden? Onverantwoordelijk. De moderne romanschrijvers? Er zijn er vijf die een knikje verdienen. Of waren het er zes, Queenie? We hebben Virginia Woolf geaccepteerd, zegt zijn vrouw berustend. Dostojevski, vraagt Prokosch schuchter. Drie discipelen van het strenge echtpaar kijken hem verschrikt aan met woede en ontzetting. Leavis kijkt ongemakkelijk, het is alsof hij bidt. “Dostojevski. We hebben met hem leren leven, nietwaar Queenie?”

Kan dit gesprek echt hebben plaatsgevonden? Zo gek kunnen literaire critici toch niet zijn? Met mijn wantrouwen, dat past bij de tijd van het jaar, denk ik dat ik de bron van dit gesprek ken. Het warme gazon in een Engelse universiteitsstad. De zwarte kat die op het gras speelt. Alice in Wonderland, de Hartenheer en de Hartenvrouw, die voortdurend roept: “Zijn hoofd eraf!” En dat gesprek met Nabokov. Is er niet een filosofisch artikel dat daar erg veel op lijkt, over hoe het is om een vleermuis te zijn? Ik heb het artikel ergens, maar ik kan het niet vinden om het na te kijken. Ik zal wel ongelijk hebben. Het doet er ook niet erg toe, vind ik.

Nabokov is de laatste beroemdheid die in het boek optreedt. Prokosch zet de kunstenaar mooi neer in deze conversatie over de onmogelijke maar toch volbrachte identificatie met de vlinder. Misschien heeft hij ook zijn eigen werkwijze ermee beschreven en wil hij aangeven dat hij zelf ook een onmogelijke identificatie heeft volbracht, door in de huid van zijn gesprekspartners te kruipen.

Als het waar mocht zijn, ben ik hem dankbaar. In het begin voelde ik een zekere teleurstelling bij de gedachte dat er misschien een bedrieglijk spel met me gespeeld werd. Later merkte ik dat ik Voices beslist niet minder mooi ging vinden, toen ik de gedachte toe had gelaten dat het misschien verzonnen was. Zou het boek in dat geval minder knap zijn? Integendeel. De overwegingen van de literaire recherche over de toelaatbaarheid van schrijversmethoden gingen langs mij heen toen ik het boek las, en aan het eind dacht ik dat het eigenlijk jammer zou zijn als deze fraaie portretten alleen maar afbeeldingen van een toevallige echt gebeurde werkelijkheid zouden zijn.

    • Hans Ree