Fluitje van Luinge

Roelof Luinge, een 37-jarige belastingambtenaar uit het Drentse Roden, scheidsrechter sinds 1974 en fluitist in het betaalde voetbal sedert 1984, begrijpt vermoedelijk de wereld niet meer. Onbekend met het toch al zeer oude spreekwoord dat iedere consequentie naar de duivel voert, meent hij positief, eerlijk en vooral consequent zijn werk te doen - ook zijn werk op de grasmatten van het betaalde voetbal. Die Luinge-opvatting leidde ertoe dat hij in dit prille seizoen al twintig keer geel trok en tweemaal rood - dit alles in slechts drie wedstrijden. Als hij en de onder zijn directie spelende voetballers op deze weg voortgaan, komt Roelof uit 34 competitiespeeldagen in de buurt van de tweehonderd gele prenten en omstreeks twintig rode. Dit is geen vooruitzicht om te juichen. Net zo min als je een heel volk achter de tralies kunt zetten omdat men zich niet veel aan snelheidsbeperkingen laat gelegen liggen, net zo min kan men de hele eredivisie achter slot en grendel bergen.

Er moet iets mis zijn met Luinge. Er is trouwens ook iets mis met de spelers. Een foto uit de match Sparta-Ajax illustreert dat voetbal ook handbal is geworden. Handen, die er ooit waren om gestrekt langs het lichaam te houden, grijpen de tegenstander nu overal beet, waar men contact kan krijgen.

“Marciano Vink komt handen te kort om Ze Rodrigues af te stoppen.”

Meestal wordt er niet eens voor gefloten, tenzij men aan het rollebollen slaat. Terug naar de Feyenoord-match in Utrecht, waar Willem van Hanegem zich zo kwaad over de arbitrage maakte, dat hij alleen Luinge katte en zijn eigen spelers vergat: de gedachte, die bij mij na afloop opkwam was deze: altijd lees je, dat de afstand tussen degenen die ons besturen en die bestuurd worden, veel te groot is. Maar ook waar is, dat de afstand tussen diegenen die onze grote voetbalwedstrijden leiden en de spelers veel te groot is. Ik ben niet gek op die persconferenties na afloop van de wedstrijden. Vaak worden daar woorden gebruikt om de gedachten te verbergen. Soms zijn de vragen naar de bekende weg. Maar er is een beperkte mate van verantwoording afleggen jegens de publiciteit en dat is tenminste iets. Wijlen Nico Scheepmaker, wiens originele en positief-kritische opstelling ik nog onverminderd mis, heeft eens bij zo'n persconferentie uitgeroepen: “Waarom is de scheidsrechter hier niet?” Hij wist het antwoord vermoedelijk zelf ook wel: bang om gekruisigd te worden. Maar wie als prominent hobbyïst zijn zaakjes meent te kennen en zijn woordje bij zich heeft - voor wie hoeft zo'n rechtspreker eigenlijk bang te zijn?

De afstand van publiek naar arbiter is enorm. Vroeger kon een Dirk Nijs met een Rotterdams brokje humor de zaken onder controle houden. Leo Horn deed dat via zijn natuurlijke autoriteit, net als Karel van der Meer. Die scheidsrechters waren nationale figuren, bijna even populair als Nederlands-elftalspelers. Daarbij vergeleken zijn de huidige prominenten bij het voetbalvolk nauwelijks bekend. Zij hebben geen uitstraling en geen natuurlijk overwicht. Ik weet best, dat de arbitrage voortdurend moeilijker is geworden, de spelers kribbiger en de belangen groter. Maar als er uit de arbitrale hoek geen persoonlijkheden naar voren komen, die het gevecht met de "bende van 22' aandurven en aankunnen, dan overheersen de Luinge's, die in grilligheid de grootste operadiva's naar de kroon steken en van wie geen speler op aan kan. Voor een enkele opmerking kon je geel verwachten. Drie kaarten in de eerste 25 minuten, maar daarna zware overtredingen waar niet eens een vrije schop aan te pas kwam. Er viel geen touw aan vast te knopen. Dat hij 34 vrije schoppen uitdeelde was op zichzelf niet onlogisch, maar de grilligheid waarmee dat gebeurde, sloeg veel toeschouwers beurtelings met woede en stomheid.

    • Herman Kuiphof