Defensie is nog steeds een grabbelton

Minister Pronk komt lof toe voor zijn plotselinge, warme, pleidooi ten behoeve van de defensie-uitgaven.

Niet vaak treffen we in dit land ministers aan die de politieke moed hebben op grond van gewijzigde omstandigheden hun standpunt te herzien en daar openlijk voor uit te komen. Pronk heeft dat gedaan. Dat hij echter volgens Rob Meines (NRC Handelsblad 29 augustus) “daarmee als eerste de consequentie trekt uit de in Nederland sterk levende gedachte dat het Westen militair moet (kunnen) ingrijpen in rampzalige ontwikkelingen als in Somalië en Joegoslavië”, is echter maar ten dele juist.

Eind mei bracht de Adviesraad Vrede en Veiligheid een advies aan de regering uit over de toekomst van de Verenigde Naties na de Koude Oorlog (Wat is de vrede ons waard). Kern van dit advies was dat de VN zich veel meer moet toeleggen op het voorkomen van conflicten, in plaats van pas achteraf op te treden als al vaak veel bloed is vergoten. Daarvoor zou de volkerenorganisatie over een snel inzetbare VN-macht moeten kunnen beschikken om, vòòrdat geweld losbarst, in een crisisgebied te worden gestationeerd. Bovendien werden, om te bevorderen dat in gelijke gevallen ook gelijk wordt gehandeld, in het advies criteria geformuleerd voor het toepassen van humanitaire interventie met militaire middelen.

Een permanente VN-strijdmacht werd echter vooralsnog politiek een onhaalbare kaart geacht. Daarom is gesuggereerd een snel inzetbare VN-macht toch mogelijk te maken door landen aan te moedigen direct oproepbare en speciaal getrainde eenheden ter beschikking van de VN te stellen. Dan zou, na een besluit van de Veiligheidsraad, meteen een VN-macht uit dergelijke nationale contingenten kunnen worden samengesteld en zonder tijdverlies uitgezonden. In januari deed Frankrijk al het aanbod duizend militairen, die binnen 48 uur kunnen worden ingezet, aan de VN ter beschikking te stellen.

De Adviesraad riep de Nederlandse regering op dit Franse voorbeeld te volgen, maar daar bleef het niet bij. Nadrukkelijk werd erop gewezen dat de bereidheid van de regering een grotere bijdrage aan de VN te leveren ook financiële consequenties heeft. Immers in zijn geruchtmakende toespraak voor het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken kondigde minister Ter Beek enkele maanden geleden een belangrijke beslissing aan: voortaan zouden alle eenheden van de Nederlandse krijgsmacht in beginsel voor vervulling voor VN-taken in aanmerking komen en niet alleen een beperkt aantal daarvoor speciaal aangewezen eenheden. Deze aankondiging maakte duidelijk dat VN-activiteiten in het Nederlandse veiligheidsbeleid reeds een steeds grotere rol spelen. De dagen dat Nederland bereid was alleen aan VN-operaties deel te nemen indien zeker kon worden gesteld dat onze bondgenootschappelijke verplichtingen niet in het gedrang zouden komen, zijn voorbij.

Niet alleen het artikel van Meines, maar ook recente openhartige uitspraken van de scheidend bevelhebber der landstrijdkrachten, generaal Wilmink, maken duidelijk dat de mogelijkheden van onze krijgsmacht aan VN-operaties een bijdrage te leveren, nu al zijn uitgeput. De oplossing ligt in herstructurering, een proces dat minister Ter Beek met zijn defensienota in een stroomversnelling bracht. Het probleem is echter dat de herstructurering vooral is gericht op het wegvallen van een oude taak (de traditionele dreiging) en niet zozeer op het erbij komen van een nieuwe taak (in aantal en omvang sterk toegenomen VN-operaties). Defensie was en is nog steeds een grabbelton. Daarom vond de Adviesraad Vrede en Veiligheid het nodig in zijn VN-advies te waarschuwen voor de gevolgen van een verdergaande uitholling van de defensie-begroting. “Het kan niet zo zijn”, luidt de laatste opmerking in het VN-rapport, “dat de regering kenbaar maakt een substantiële bijdrage te willen leveren aan de beoogde versterking van de VN, maar tegelijkertijd zichzelf de financiële ruimte ontneemt die nodig is de Nederlandse krijgsmacht mede ten behoeve van de vervulling van toekomstige VN-taken zoals preventieve actie, te herstructureren.”

De opmerkelijke suggestie die de minister voor Ontwikkelingssamenwerking deed ten aanzien van de defensie-uitgaven, ligt dus al sinds mei bij de regering op tafel. Minister Pronk is wel het eerste lid van het kabinet dat deze gedachte voor zijn rekening neemt en dat is politiek relevant. De vraag is of zijn opmerkelijke pleidooi ook wordt omgezet in regeringsbeleid. Deze vraag zal zeer binnenkort worden beantwoord: de ministerraad staat op het punt een aan de Tweede Kamer toegezegde notitie over de Verenigde Naties vast te stellen. Daarin zal duidelijk worden of minister Pronk politieke steun krijgt voor de achterliggende gedachte, namelijk dat het leveren van Nederlandse militaire bijdrage aan VN-operaties (beter gezegd niet-NAVO taken) geen "side-show" meer is maar een hoofdtaak van Defensie. Deze constatering heeft vergaande gevolgen, denk alleen maar aan de netelige kwestie van de dienstplicht waarover de commissie-Meijer binnen enkele weken zal adviseren. Durft de regering deze koerswending aan, de belangrijkste in het naoorlogse veiligheidsbeleid ?