Buitenlands beleid

Indien oud-minister Van der Stoel (NRC Handelsblad, 19 augustus) zich over de onderwerpen ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse zaken buigt, wordt deze discussie kennelijk weer meer acuut dan men zich buiten Den Haag realiseert.

Ik heb mij altijd gelukkig geprezen, in mijn betrokken jaren 1978-'87, met de bestaande Haagse constructie - om redenen die Van der Stoel ook noemt: ontwikkelingssamenwerking is een integraal onderdeel van buitenlands beleid. Maar ik heb dat als ambassadeur in Dar-es-Salaam en in Delhi ook kunnen zien uit het oogpunt van de ontvangst-staat. Vooral in Afrikaanse situaties is het logisch dat locale bewindslieden 's avonds liever spreken met een ambassadeur, die weet wat de instructies van zijn minister hem toestaan, dan met sommigen van mijn collegae die onder hun regels verplicht waren om over vrijwel alles een positie in te nemen van “ik zal het morgenochtend direct met Anderson bespreken en ik bel je snel terug”.

Maar er is daarnaast nog een intern management-aspect, nauwelijks ooit onder de aandacht gebracht van Den Haag doch voor mijn Scandinavische collegae en sommige anderen (Canada en, op een andere wijze, de VS) een dagelijkse kopzorg. In hun teams bestonden vaak grote spanningen, eenvoudig omdat er op twee budgets werd geleefd. Het traditionele beleid voor ambassades is altijd streng: geen man teveel en geen cent om mee te rommelen. Zet daarnaast personeel van een apart agentschap dat jaarlijks miljarden omzet en eenieder kan raden wat er gebeurt. “Is je moeder ziek? Nou, misschien is het inderdaad geen slecht idee om even naar huis te vliegen voor consultatie over project-X”. Een Landrovertje meer, of een chauffeur; kan natuurlijk best. De gesignaleerde aspecten zijn, dat kan ik verzekeren, in de praktijk van grote donoren zeer centraal bij het dagelijkse toezicht op optimalisering van de kwaliteit van de hulp waarvoor een parlement de fondsen voteert.