De laatste nachten van de vliegende brigades

"Ik kan honderd dienders leren wat het verschil is tussen een vink en barmsijsje maar als het ze geen bal interesseert heeft dat absoluut geen zin.' Toch zal de gespecialiseerde veldpolitie, die bij nacht en ontij stropers aanhoudt en de naleving van de "groene' wetten controleert, in de grote politiereorganisatie verdwijnen. Alleskunners moeten het dan gaan opnemen tegen de mannen met de fuiken en de lange honden. Tot dat moment wenst de veldpolitie niet bij de pakken neer te zitten.

De toezichthouder rukt zijn groene hoedje van het kalende hoofd. Met zijn rubberlaars stampt hij op de grond. ""Gadverdoeme! Nondedzju!'' Ook de twee veldpolitie-agenten laten rollende vloeken van teleurstelling horen. De mannen staan achter op het erf van een hoeve ergens in Zuid-Limburg. Vanavond zou het klassieke spel tussen politie en stropers worden gespeeld. Op het veld achter de boerderij zijn de afgelopen weken regelmatig mannen gesignaleerd die gedurende de avonduren op hazen jagen met lange honden, hazewindhonden speciaal voor dat doel getraind. Het plan was met drie auto's, twee van de veldpolitie en de jeep van de toezichthouder, uit verschillende plekken het terrein in de gaten te houden om te trachten de stropers op heterdaad te betrappen. Maar toen een dienstauto bij de boerderij in stelling was gebracht en de twee andere auto's op weg gingen naar hun posities, kwam net een rood Golfje langs met daarin twee van de verdachten.

Nu gluurt de toezichthouder gespannen om een hoekje naar een pad langs de bosrand even verderop. Af en toe passeren wandelaars. Velddienstassistent John Feijen, een beer van een kerel met kort stekeltjeshaar en fel-blauwe ogen, gelooft niet dat de stropers nog zullen opdagen. ""Ben je gek, die hebben ons allang gezien.'' Hij speelt een beetje met Kim, zijn Mechelse herder. Hazen vangen in augustus gebeurt volgens hem puur voor de sport. De hazen hebben nog jongen en zijn daarom "brandmager'. ""Bovendien smaakt een haas nou nog niet, daar moet de vorst overheen'', zegt hij.

Een uur verstrijkt en de toezichthouder kijkt peinzend over het land. ""Er gaan kwaaie geruchten dat de veldpolitie gaat verdwijnen'', zegt hij. Feijen, haalt zijn schouders op. ""We zullen wel zien, hè'', zegt hij. ""Ik hoop het niet'', zegt de toezichthouder, ""Wie moet straks anders die klootzakken achter hun sodemieter zitten?''

"Lachertje'

Wat de Limburgse toezichthouder bij geruchte vernomen heeft, is juist: de opheffing van de zeven groepen veld- en milieupolitie van de rijkspolitie is het afgelopen jaar naar het zich laat aanzien definitief beklonken. Volgend jaar moeten na samenvoeging van de korpsen van rijks- en gemeentepolitie 25 grote regionale politiekorpsen ontstaan en één korps waarin de landelijk opererende diensten zijn ondergebracht. Op papier keert in geen enkel deel van het land de huidige veldpolitie terug. Als oorzaak hiervoor wordt gewezen op de al langer bestaande tendens bij de politie om vaak dure onderdelen met specialistische taken op te heffen omdat "verspecialisering' de afstand tussen burger en politie kunstmatig in de hand zou werken.

Politiebeleidsmakers streven naar een "basispolitiefunctionaris' die in staat is op alle voorkomende terreinen adequaat zelfstandig op te treden. De groepscommandant van de veldpolitie in Apeldoorn, B.C. Tamminga, noemt dat streven wat oneerbiedig "een lachertje'. ""Ik kan honderd dienders leren wat het verschil is tussen een vink en barmsijsje maar als het ze geen bal interesseert heeft dat absoluut geen zin.'' Het gaat er vooral om dat de opsporingsambtenaren weten wat bepaalde signalen kunnen betekenen, had de Limburgse velddienstassistent John Feijen eerder gezegd, terwijl hij zijn Subaru langs de grindgaten van Noord-Limburg stuurde. ""Als ik een vink hoor slaan, weet ik wat precies voor soort vink het is. Maar als ik hem drie keer achter elkaar hoor op dezelfde plek, denk ik: is dat een lokvogel? En dan ga je erop af''.

Tijdens een Kamerdebat in oktober vorig jaar eisten de afgevaardigden Van Heemst (PvdA) en Esselink (CDA) van de politieministers Hirsch Ballin en Dales per motie dat de ""de bestaande groepen veld- en milieupolitie in stand blijven''. Hirsch Ballin gaf soepeltjes een eigen inhoud aan de motie: hij zegde toe dat alleen ""de taken en deskundigheden'' van de veldpolitie in de nieuwe politie-organisatie in stand zullen blijven. Later, in januari dit jaar, schreef hij in antwoord op vragen van Esselink en Van Heemst dat hij het aan de leiding van de toekomstige politieregio's overliet ""of en op welke wijze de personen die thans belast zijn met de uitoefening van de taken van de huidige veldpolitie een plaats zullen krijgen in het regiokorps''.

In de meeste regio's waar nu groepen van de veld- en milieupolitie opereren (Zeeland, Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijssel) liggen plannen klaar waarbij, wat genoemd wordt de "milieu-functie' wordt verspreid over het gehele korps. Met coördinatoren op regionaal en districtsniveau en "trekkers' op het laagste niveau van de basiseenheden.

Werkrooster

Uit de toonkasten op het bureau van de veldpolitie in Breda kijken de doffe ogen van opgezette vogels en kleine roofdieren de ruimte in. Groepscommandant A.C. van Wijnen, het onafscheidelijke stompje bolknak tussen de lippen, wijst hoofdschuddend naar het werkrooster van zijn dienst voor zich op tafel. Ziekte, verlofdagen, stuwmeren van overuren, vakantiedagen en ADV-dagen teisteren de parate inzetbaarheid van de vijf man sterke groep veldpolitie in Breda. De afgelopen weken mocht hij blij zijn als er één man beschikbaar was voor de dienst. ""Ons werk heeft nooit veel prioriteit gehad binnen het gehele politiebestel. Maar nu krijgt het nul-prioriteit en daar verzet ik me tegen'', zegt hij. ""De afgelopen weken hebben we voortdurend meldingen binnengekregen van stroperij met lange honden. Wij kùnnen er niks aan doen en de reguliere politie wl er niks aan doen.''

Het schrappen van de veldpolitie wordt vergemakkelijkt doordat het specialisme nooit officieel is erkend. De huidige commandanten van de zeven groepen wijzen erop dat er voor hun mensen - in totaal zijn er nu ongeveer vijftig in actieve dienst - geen zogeheten functie-informatieformulier bestaat waarin de taken nauwkeurig zijn vastgelegd. ""We zijn eigenlijk stilletjes de organisatie binnengeslopen'', zegt groepscommandant A. Schakel van de Limburgse veldpolitie.

De veldpolitie ontstond exact 37 jaar geleden. De toenmalig minister van justitie L.A. Donker besloot op 29 juli 1955 tot het formeren van een tijdelijk detachement ""ter beteugeling van de wildstroperij op de Veluwe''. Twee weken later, op 15 augustus 1955, meldde de districtscommandant van de Rijkspolitie, overste A.M.C. Mollerus, dat ""een Vliegende Brigade, bestaande uit twaalf jachtdeskundige rijkspolitieambtenaren'' was gevormd. Het detachement opereerde uit een dependance van het hotel Oranje-Oord te Hoog Soeren. Nauwelijks vijf maanden later, op 9 januari 1956, meldt Mollerus trots dat ""de wildstroperij reeds grotendeels is beteugeld''. Stropers die voorheen ""vrijwel ongestoord hun luguber bedrijf konden uitoefenen'' zijn daarmee opgehouden. Maar de districtscommandant waarschuwt dat ""meerdere wildstropers reeds te kennen hebben gegeven, dat zij met hun stroperijen wachten totdat het detachement zal zijn opgeheven''. Hij pleit er dan ook voor de detachering voor onbepaalde de tijd voort te zetten. Op 15 april 1956 werd het tijdelijk detachement permanent en daarmee was de oprichting van de veldpolitie een feit. Vanaf dat moment ontstonden ook in andere delen van het land de gespecialiseerde detachementen veldpolitie.

De oud politie-officier jhr. B.W.F. de Beaufort, sinds 1979 kolonel-in-ruste, ziet met lede ogen toe hoe "zijn' veldpolitie wordt ontmanteld. In 1955 werdhij als commandant van de dienst Luchtvaart van de Rijkspolitie tevens belast met de leiding over het tijdelijk detachement. ""Het was fantastisch. De mannen draaiden diensten van zestien uur per dag. We beschikten over twee afgedankte jeeps van het leger, een motor, en over een overjarige trouwkoets van het ministerie van justitie, compleet met chambre séparée voor de chauffeur.'' De Beaufort bleef tot zijn pensioen belast met het toezicht over de verschillende groepen. Zo kreeg de veldpolitie binnen de organisatie een status aparte die onmiddellijk na het vertrek van De Beaufort leidde tot een eerste poging de eenheden op te heffen. In 1979 verscheen een rapport over de werkwijze en de organisatie van de Rijkspolitie waarin het bestaansrecht van de veldpolitie ter discussie werd gesteld. Toen al begon binnen de politie het streven naar "despecialisatie'.

Verweerschrift

De Beauforts opvolger, de toenmalig luitenant P. van der Zalm, schreef een lijvig verweerschrift waarin hij minutieus het "aantoonbaar nut' van het specialisme veldpolitie beschreef. De verschillende groepen richtten zich allang niet meer exclusief op de bestrijding van stroperij maar veel breder: op natuurbescherming in het algemeen. Van der Zalm constateert bijvoorbeeld ook dat 36 procent van het totaal aantal in beslag genomen illegale vuurwapens voor rekening kwam van de veldpolitie. Mede onder druk van elf natuurbeschermingsorganisaties werdbegin jaren tachtig de sterkte van de groepen veldpolitie juist uitgebreid. Bovendien kwamen er onopvallende dienstauto's, de Subaru's, soms uitgerust met vierwielaandrijving en allerlei nuttige technische snufjes, er kwam speciale groene kleding, en bijvoorbeeld zeer kostbare nachtzichtapparatuur.

Maar volgens De Beaufort ""kwam toen toch de klad erin''. Terwijl in het verleden jachtopzichters en zelfs oud-stropers geselecteerd werden die volgens hem direct inzetbaar waren, werden er te veel mensen uit de "burgermaatschappij' aangetrokken. ""Daardoor moest er een hele poppenkast met opleidingen opgezet worden, die vroeger nooit nodig waren'', zegt hij. Bovendien raakte de veldpolitie ook aangetast door ambtenarij en bureaucratisering die binnen de hele organisatie was binnengedrongen.

In 1978 werd al berekend dat slechts 26 procent van de mankracht van de politie werd besteed aan "feitelijk politiewerk'. De overige werktijd ging op aan management, ondersteuning en administratie. In 1981 werd bovendien het zogeheten vrije dienstrooster afgeschaft dat rijkspolitiemensen de mogelijkheid gaf zelf hun werktijden in te delen. Daarvoor in de plaats kwamen strikte regels voor inconveniënten die tezamen met budgettaire problemen de dienstuitoefening aan banden legden. Overuren werden onbetaalbaar. ""Dat betekent dat er alle mogelijke beperkingen kwamen op de dienstuitoefening'', zegt de Beaufort. ""De veldpolitie dient er te zijn als het nodig is. Vaak is dat ook bij nacht en ontij. Stropen met lichtbakken bijvoorbeeld gaat het beste bij ruw, donker weer. Dan is het wild goed te benaderen. Maar ja, als de overuren op zijn, moeten de mannen binnenblijven. Geen wonder dat dan de resultaten teruglopen. Vroeger was het motto: niet ouwehoeren maar dienst doen.''

Jonge patrijs

Wachtmeester Frans Houkes van de veldpolitie Apeldoorn zet zijn auto aan de kant. Hij is in de buurt van Nijmegen op weg naar een plek waarvan gemeld is dat er met fuiken palingen worden gestroopt. Maar langs de weg dook zoëven een jonge patrijs op die zijn aandacht trok. Houkes stapt uit en jaagt de vogel behoedzaam de distels in. ""Zo'n jonge vogel is onervaren en weet nog niet hoe gevaarlijk auto's zijn. Je hebt er niets aan als hij wordt platgereden.'' Patrijzen vindt hij "prachtig inheems wild'. ""De fazanten die je tegenkomt in het veld zijn meestal half-tamme kippen die uitgezet zijn door jagers.''

Net als de meeste van zijn collega's is hij verknocht aan het werken in het buitengebied. Maar of hij over een jaar dat werk nog zal doen, is onduidelijk. ""Ik zie mezelf niet zo gauw het blauwe pakje weer aantrekken, achter een computertje kruipen of ergens op een bureau afwachten of er buiten iets gebeurt.'' Hoewel hij verbitterd is over de onzekere situatie, blijft hij fanatiek aan het werk. ""Het heeft geen zin thuis te gaan zitten kniezen en er is genoeg te doen in het veld.''

Even later op het bureau van de rijkspolitie in Elst op de Betuwe zitten zes geüniformeerde collega's ontspannen aan de koffie. Houkes vertelt hun over de fuiken en vraagt of zij assistentie willen verlenen, mochten de visstropers komen opdagen. Er wordt wat lachterig gereageerd. ""Ja, de reguliere politiemensen beschouwen ons een beetje als boerenpolitie'', zegt hij wat later weer in de auto. ""Maar dat is een soort goedbedoelde spot. Dat hoort een beetje bij de politiecultuur. Je moet altijd zoveel mogelijk met de politiemensen in een bepaalde gemeente samenwerken. Zij zijn tenslotte ook verantwoordelijk voor hun gebied. Maar zij hebben niet de mogelijkheid, zoals wij, om drie dagen bij een fuik te zitten wachten. En zeker niet om 's avonds als de grote lamp uitgaat ter plekke te zijn in het veld.''

De opheffing van de veldpolitie lijkt in strijd met het offensief op het terrein van de handhaving van de milieuwetgeving dat enige jaren geleden op gang is gekomen. Gemeenten, openbaar ministerie en politie ontvangen sinds 1990 miljoenen guldens ter intensivering van de milieuwetshandhaving. In het kader van het Nationaal milieubeleidsplan kreeg de politie in 1990 voor het eerst 14 miljoen gulden extra, oplopend tot 60 miljoen gulden in 1994. En het is de bedoeling dat dat bedrag na 1994 structureel naar de politiebegroting zal vloeien. Maar al deze energie is niet gericht op de handhaving van het milieubeschermingsrecht, de zogeheten "groene' wetten, maar op de "grijze milieuwetten', dat is het vaak uiterst technische milieuhygiënerecht, waarin de zorg voor de conditie van de bodem, het water en de lucht is vastgelegd. De inrichtingsplannen van de toekomstige politieregio's lijken vooral op dat terrein toegesneden. Iedere politieregio-in-opbouw beschikt al wel over een milieubureau dat zich bezighoudt met het maken en "vertalen' van beleid, en verzamelen en doorgeven van informatie.

Uit een vorige week gepubliceerd onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het ministerie van justitie bleek dat het gebouw van de milieuwetshandhaving inmiddels in de steigers staat. Maar ook werd vastgesteld dat er nog veel "hapsnap' wordt opgetreden, dat de regie beter kan, dat "handhavingspartners' afwachten en elkaar de zwarte piet toespelen, en dat weinigen zich verantwoordelijk voelen voor het te voeren beleid, omdat niet duidelijk is wie welk gezag uitoefent.

De landelijk coördinator milieu van het openbaar ministerie, mr. H. Fangman, benadrukt de positieve bevindingen van het rapport: zo hebben politiefunctionarissen de wil om milieuwetten te handhaven en hun kennis op dat terrein neemt toe. In alle arrondissementen zijn inmiddels milieu-officieren aan het werk en wordt steeds beter samengewerkt met politie en lokaal bestuur. Hij vindt dat er rekening mee moet worden gehouden dat de nieuwe handhavingsstructuur nog in opbouw is. ""We bevinden ons inderdaad in de praatfase met het regionale bestuur. Er wordt nu nog ontzettend veel vergaderd. Er wordt gigantisch veel papier geproduceerd. Maar dat levert ook nu al rendement op in die zin dat meer overtredingen worden aangepakt. Het is zeker de bedoeling dat de nieuwe planmatige handhaving in 1994 op poten staat en werkt.''

Bij de veldpolitie zijn veel mensen zich de afgelopen jaren op "moderne' milieuhygiënische wetten gaan richten om in de nieuwe structuur niet buiten spel gezet te worden. Maar niet alle groepen zijn daar even enthousiast over. De Limburgse groepscommandant Schakel vindt dat er inmiddels genoeg mensen bezig zijn met het "grijze' milieu. ""De meeste van mijn mensen blijven de echte groene wetten voorrang geven. Die lachen me vierkant uit als ik zou zeggen dat ze ook eens een project moeten draaien op het gebied van bestrijdingsmiddelen.'' Een ander zegt het zo: ""Straks hebben we schoon water in de sloten, maar dan zit er geen vis meer in omdat het toezicht op stroperij ontbreekt.''

"Sterfhuisconstructie'

Vorig jaar protesteerden de commandanten van de zeven groepen veldpolitie bij de korpsleiding tegen de ""sterfhuisconstructie'' die naar hun mening wordt toegepast. Vacatures worden niet opgevuld, materieel wordt niet of nauwelijks vervangen, leidinggevenden overgeplaatst of weggepromoveerd. De commandanten waarschuwden de korpsleiding dat de veldpolitie haar taken zo nauwelijks meer naar behoren kon vervullen. De gevraagde duidelijkheid over de toekomst bleef toen uit. Natuurbeschermingsorganisaties als Vogelbescherming, Natuur en mileu, Greenpeace, de Dierenbescherming en het Wereld Natuur Fonds hielden in november vorig jaar een pleidooi voor het in stand houden van de veldpolitie. ""Bij een dreigende ontmanteling van deze eenheden raakt de aanwezige kennis versnipperd en in de toekomst verloren, terwijl het gebrek aan gespecialiseerd materieel slagvaardig optreden onmogelijk maakt.''

Maar ook binnen de politie bestaat er wel degelijk zorg over het verdwijnen van de veldpolitie. In mei dit jaar pleitte het operationeel milieu-overleg, een sub-orgaan van het Coördinerend Politieberaad, voor het behoud van de specifieke deskundigheid van de veldpolitie. Het is niet duidelijk wat er sindsdien met dat advies is gebeurd. Een van de leden van het overleg houdt het erop dat het stuk ""in de molen zit''.

De Bredase veldpolitie-commandant Van Wijnen kan zich er zeer over opwinden dat zijn dienst stilzwijgend door het politiemanagement kan worden opgeheven. ""De Tweede Kamer heeft duidelijk te kennen gegeven dat de groepen moeten blijven bestaan. Maar Hirsch Ballin heeft de regionale politiechefs de vrije hand gegeven bij de opbouw van hun organisaties. Als straks de nieuwe organisatie werkt, zonder veldpolitie, is het voor de Kamer toch niet meer mogelijk alles terug te draaien. Ik vind dat onvoorstelbaar. Ik had een andere voorstelling van hoe een democratie werkt.''

CDA-afgevaardigde Esselink die tezamen met zijn coalitiegenoot Van Heemst bij herhaling hamerde op het belang van de groepen veldpolitie is minder somber over de afloop. ""De antwoorden op onze vragen door minister Hirsch Ballin waren tot nu toe volstrekt onvoldoende'', zegt Esselink. ""Wanneer de veldgroepen over de regio's zouden worden opgesplitst, komt er geen pest terecht van een goede natuurbescherming. De fracties van CDA en PvdA willen dat er in de regio's waar het nodig is, groepjes van drie tot vijf geëngageerde mensen op pad zijn speciaal voor de handhaving van de natuurbeschermingswetten.''

Pimpelmees

Uit de bosjes op het talud van een dijk in de buurt van Elst tuurt Frans Houkes ingespannen naar het water van een wetering die langs een boerderij ligt. Een vogel fluit. ""Pimpelmees'', zegt hij gedempt. Over de dijk zo'n anderhalve meter hoger passeren auto's, af en toe een fiets. ""Geen mens die je hier ziet'', zegt Houkes.

Een jager die hier op het stoppelveld op houtduiven aan het jagen was, zag vorige week in de wetering twee mannen in de weer met fuiken voor de palingvangst. Houkes hoopt dat de mannen deze middag zouden terugkeren. Op het erf van de boer, die ook bekend is bij de veldpolitie, heeft hij een auto zien staan die wel eens van de palingstropers zou kunnen zijn. ""Misschien drinken ze eerst een kop koffie'', zegt hij als de tijd verstrijkt. Bezorgd tuurt hij nog eens naar de wetering. De oeverkanten zijn gemaaid met als gevolg dat er veel gras en rommel op het water drijft. ""Het kan heel goed dat ze hun fuiken gelicht hebben, omdat die toch vollopen met gras en troep van wal'', peinst hij. Als het na bijna drie uur gehurkt afwachten zacht begint te regenen, besluit Houkes het posten voor vandaag te staken.

Op het rijkspolitiebureau in Elst levert hij een geleende portofoon in. De zes geüniformeerde collega's hangen met een kop koffie voor een video met criminele informatie uit de regio. ""Zeker niks gevangen, he?'' zegt iemand. Een paar collega's lachen.