Het aanrecht op straat; Experimentele woningbouw in de Haarlemse Zuiderpolder

De Haarlemse Zuiderpolder was bedoeld als een voorbeeldig sociale-woningbouwproject, vormgegeven door bekende architecten. Nieuwsgierig gemaakt door de Haarlemse architectuurgids ging Max van Rooy er kijken. Wat hij zag was niet verheugend en bevestigt het idee dat sociale woningbouw en hoogwaardige, bijzondere architectuur elkaar uitsluiten. Alleen in het hoekje van de wijk waar de bewoners zelf hun gang mochten gaan kijkt de bezoeker zijn ogen uit.

Architectuurgids Haarlem. Redactie: Piet Roos, Bart Uittenhout, Wim de Wagt. Uitgever: Schuyt & Co. Prijs ƒ 39,50

Een van de zegeningen van de sterk gegroeide belangstelling voor architectuur is het evenredig gegroeide leger van architectuurhistorici. Dit leger houdt niet van stilzitten en schrikt niet terug voor mierenvlijt. Aan die architectuurhistorische nijverheid is het onder andere te danken, dat de laatste jaren de ene Architectuurgids na de andere verschijnt. Geen streek, geen stad, soms zelfs geen dorp lijkt het te kunnen stellen zonder een grondige inventarisatie van oude en jonge monumenten.

De meest recente gids gaat over Haarlem en beoogt, volgens de samenstellers, een representatief beeld te geven van de Haarlemse architectuur vanaf de Middeleeuwen tot aan de moderne tijd. Dat beeld wordt gelukkig, zoals het hoort, in chronologische volgorde geschetst, te beginnen bij de sprookjesachtige Amsterdamse Poort waarvan de eerste versie in 1355 werd opgetrokken, en eindigend met de experimentele sociale woningbouw in de Zuiderpolder die in 1986 is begonnen en nu, in 1992, nog niet geheel is voltooid.

Doeschka Meijsing, in Haarlem geboren en getogen, schreef een literair woord vooraf en kenschetst de architectuur van deze uitgesproken woonstad als architectuur die voor de burger is geknipt, bouwkunst zonder overrompelende allure en zonder gewelddadige lelijkheid. Wie Haarlem kent, zal haar gelijk geven. Ook de inhoud van de Haarlemse Architectuurgids geeft de schrijfster gelijk, maar op een te fletse manier. In 189 keurige zwart-wit fotootjes zien we het beeld opdoemen van een verzameling redelijk goed geconserveerde gebouwen in een brave provincieplaats die, buiten de twee St. Bavo's - de Grote of St. Bavokerk (1370) aan de Grote Markt en de Kathedrale Basiliek St. Bavo aan de Leidsevaart, eind vorige eeuw ontworpen door Jos. Th. J. Cuypers - geen door hun omvang spectaculaire gebouwen kent en gespaard is gebleven van indrukwekkende vormen van smakeloze architectuur. Omdat de gebouwen in de gids veelal geïsoleerd worden getoond en de samenstellers ervoor hebben gekozen geen openbare architectonische objecten als bruggen of straatmeubilair in het overzicht op te nemen, wordt een betrekkelijk saai, tijdloos beeld gegeven, dat nauwelijks een mens en maar heel weinig auto's laat zien. Dat neemt niet weg dat de uitgave van de onopgesmukte gids, die duidelijk met bescheiden financiële middelen is gemaakt, moet worden toegejuicht.

Architectuurgidsen kunnen er nooit genoeg zijn. Ik bestudeer ze met de pen in de hand, teken in de kantlijn ontdekkingen en fouten aan. (Bijvoorbeeld: bij het zeventiende-eeuwse huis 'Het Haarlemse Wapen' aan het Spaarne staat vermeld dat de schilder Kees Verwey hier vanaf 1924 woont en werkt, dat moet zijn: vanaf 1940). De meeste gebouwen die in de Haarlemse Architectuurgids staan, heb ik in werkelijkheid weleens gezien, wat allerminst wil zeggen dat ik op de hoogte ben van de bijbehorende jaartallen, architecten en huidige bestemmingen. Maar er zijn natuurlijk ook gebouwen in Haarlem die ik niet uit eigen ervaring ken. Zo maakte de gids een oud voornemen in me wakker: een bedevaart langs het werk van J.B. van Loghem, langs zijn villa's en zijn onlangs gerenoveerde woningbouw in Tuinwijk-Zuid (1920-1922). Met de gids in de hand ben ik direct op pad gegaan naar de experimentele woningbouw in de Zuiderpolder, die op de laatste vier bladzijden als volgt wordt geïntroduceerd:

“ Begin 1986 kregen negen architecten van de gemeente Haarlem de opdracht om ongehinderd door uitvoerende instanties plannen te ontwerpen voor sociale woningbouw in het noordwestelijke deel van de Zuiderpolder, destijds beschouwd als Haarlems laatste grote stadsuitbreiding. Pas in een volgend stadium zouden bij de plannen opdrachtgevers worden gezocht. Doel was na te gaan in welke mate de sociale woningbouw vernieuwd kan worden binnen de financiële kaders van de woningwet. Haarlems stadsarchitect L.C. Röling (1970-1988) heeft vanaf het midden van de jaren zeventig een belangrijke stimulerende rol gespeeld bij dit initiatief. In totaal gaat het om ruim 300 woningen. De experimentele plannen werden gepresenteerd in 1987 door de architecten B. van Aalderen, M.F. Asselbergs, Cepezed, A. van Herk, H. Hertzberger, J.W. Jansen, K. de Kat, E. van Sambeek, K. van Velsen en Bureau Bakker & Bleeker (thans B & B; stedebouwkundig en landschappelijk ontwerp).

“Het plan van Thijs Asselbergs viel om uiteenlopende redenen af. In 1988 werd met de uitvoering van het eerste project gestart, dat van Jan Willem Jansen. Begin 1992 zijn zes projecten gerealiseerd; het doorgaan van de plannen van Cepezed en Herman Hertzberger is nog onzeker.”

Een tentoonstelling van vernieuwende sociale woningbouw met de beroemde Weissenhofsiedlung in Stuttgart (1927) en Interbau in Berlijn (1953) als historische voorbeelden. Wat zou in de praktijk van de hooggestemde idealen in Haarlem zijn terechtgekomen?

Solidarnoscstraat

Het was een ongekend warme dag. Evenmin als op de foto's in de gids, trof ik veel mensen in de lange, nieuwe straten van de Zuiderpolder, die namen dragen ontleend aan de vrijheidsbewegingen uit de laatste decennia. De Pal Maleterweg, de Solidarnoscstraat, de Charta-77 Vaart, de Steve Bikostraat. Onwennige straatnamen, vooral om als adres op te geven, lijkt me. Een Vrijheidsweg, die ook in de Zuiderpolder bestaat, kan nooit kwaad, behalve natuurlijk als de huizen die eraan liggen benauwde kippenhokken zijn. De keuze van een straatnaam kan niet on-origineel genoeg zijn. Met de recente boeken over Marilyn Monroe is zelfs de Kennedylaan op de helling geraakt.

De oevers aan weerszijden van de Charta-77 Vaart zijn niet onaantrekkelijk met groen- en zitvoorzieningen aangekleed. Maar het ziet er net zo stijf uit, als ik het opschrijf, dat betekent: verre van ideaal. Hetzelfde geldt voor de huizenrijen aan weerszijden van het water. Lichte baksteenhuizen met naast de voordeur kleine siertuintjes die zo te zien in moordende concurrentiestrijd worden onderhouden. Tuintjes die in de burenterreur de symbolische rol van de glimmende of doffe koperen deurknop in de vroegere portaalwoningen hebben overgenomen.

Hoe komt het toch dat in wijken met rijen lage, identieke huizen, zeker in de sector sociale woningbouw, altijd het eerst de gedachte aan burenterreur bij me opkomt, aan geluidsoverlast, aan sociale controle, aan bemoeizucht, aan niet anoniem wonen in een behuizing die door zijn uiterlijk herhaalde gelijkenis het tegendeel suggereert. Toch zien de paar mensen die ik op mijn wandeling door de Zuiderpolder tegenkom er heel gelukkig uit. Het zijn ongetwijfeld allemaal bewoners van deze wijk, want buitenstaanders, zoals ik, hebben hier niets te zoeken. Er zijn geen winkels, geen bedrijven, geen cafés, geen terrassen. De enige "voorziening' is een openbare basisschool in 1989 ontworpen door Wiek Röling, een vriendelijk rond gebouwtje met elf leslokalen die om een centraal amfitheater liggen. De bedekking van het flauw hellende dak bestaat uit gras, een toepassing die helpt de energiekosten laag te houden. In deze zonnige tijd is het gras dor geworden en heeft de kleur van vlekkerig roest aangenomen. Buiten dit schoolgebouw, dat door zijn ronde vorm de "kleine gashouder' wordt genoemd, kent dit wijkje uitsluitend woonhuizen.

Steeds als ik van de straat een huis binnenkijk en bijvoorbeeld een vrouw zie die in de keuken voor het aanrecht staat, en dat zie ik vaak want in veel huizen in deze wijk ligt de keuken naast de voordeur, voel ik me onbehoorlijk vrijpostig. Vooral omdat de gevel dun lijkt en de afstand angstig klein is tussen mij als straatwandelaar en de vrouw in de keuken, geneer ik me en loop snel door.

Wereldberoemd

Onze sociale woningbouw heeft een rijke traditie en is wereldberoemd. Het experiment in de Haarlemse Zuiderpolder moet deze mooie bouwgeschiedenis in onze tijd voortzetten, een nieuwe impuls geven. De initiatiefnemer van de wijk, Wiek Röling stond hetzelfde voor ogen als de grondleggers van onze sociale woningbouwgeschiedenis in de jaren twintig, namelijk dat sociale woningbouw en hoogwaardige, bijzondere architectuur elkaar niet hoeven uit te sluiten.

Op mijn wandeling door de Zuiderpolder wordt mijn overtuiging dat ze elkaar wèl, althans gedeeltelijk uitsluiten steeds stelliger. Niet alleen de kennelijk noodzakelijke reproduktie van een en hetzelfde type huis, de geestdodende seriebouw, staat bijzondere architectuur en stedebouw in de weg - het blijven gewone straten met min of meer gewone rijtjeshuizen - de gebrekkige detaillering, de goedkope materialen en de armoedige afwerking maken de afstand tot hoogwaardige architectuur wel erg groot.

Over de zestig, roze gestucte woningwetwoningen van Arne van Herk die in twee bouwlagen met platte daken een lichtgebogen gevelwand vormen van 375 meter lang, had ik veel lovende woorden gelezen. Bij het zien van de afbeeldingen, onder andere in het Jaarboek Nederlandse Architectuur 1990/1991, rezen al bedenkingen. Toen ik de werkelijkheid zag, schrok ik, vooral van de armzalige monotonie en de slordigheid waarmee de halfdiagonale puien met vensters en deuren boven de stoep zweven. Een beeldstudie van de wijze waarop in de Zuiderpolder voordeuren - die overigens allemaal te miezerig zijn omdat het voorschrift te miezerig is - aansluiten, of juist nét aansluiten op stoep of drempel, zou een huiveringwekkende staalkaart van nonchalant ontwerpen en slordige afwerking laten zien.

Er is maar één onderdeel van het contingent sociale woningbouw in de Zuiderpolder, dat me treft: de voorgevels van twee woongebouwen aan de Solidarnoscstraat, ontworpen door Erna van Sambeek. Maar alléén de in rode baksteen uitgevoerde voorgevels, want als je omloopt en de achtergevels ziet, dan schrik je ook hier weer van de lichte paneeltjes-dictatuur die boven de achtertuinen huishoudt. Ik gebruik niet graag het begrip on-Hollands om een stijl van architectuur aan te geven die je in Nederland niet direct verwacht. Maar onwillekeurig denk je aan een warm en droog land aan de Middellandse zee, als je de rode gesloten gevels ziet, de smalle ramen in een sterk verticaal en horizontaal gelijnde ritmiek, de platte rechthoekige uitsparingen voor de dakterrassen, de mooie schaduwwerpende omlijsting die wordt gedragen door dunne grijze kolommen. Alleen jammer dat de stalen buitentrappen naar de dakwoningen de mooie, staande "bovenlichten' doorkruisen, want deze ramen boven de voordeuren zijn juist een remedie tegen de voorgeschreven deuren-misère.

Nee, de Zuiderpolder zal niet in de architectuurgeschiedenis van de sociale woningbouw worden opgenomen als de Haarlemse Weissenhofsiedlung. Daarvoor is de uitwerking te ver verwijderd van de aanvankelijke architectonische en stedebouwkundige idealen waarmee deze als voorbeeldig bedoelde stadswijk begon. Een van de samenstellers van de Haarlemse Architectuurgids, Wim de Wagt, heeft een persoonlijk onderzoekje gedaan naar de oorzaken van de ontsporingen die tot de gebrekkige verwezenlijking van het woningbouw-experiment, van de gebouwde "architectuur-manifestatie' hebben geleid. Het resultaat is de bekende Hollandse litanie van geldgebrek, politieke onverschilligheid, cynische ambtenaren, krenterige en op materialen beknibbelende aannemers en eigenwijze architecten die onmogelijk dure plannen hebben ingediend, zoals Herman Hertzberger met zijn ronde waterwoningen. Ook het meest spectaculaire bouwwerk in het centrum van de wijk, de schuinstaande, aantrekkelijk ogende appartemententoren ontworpen door Koen van Velsen, valt buiten de beoogde woningwetsector.

Gekomen in de zuid-oostelijke hoek van de wijk, raak ik verzeild in een buurtje dat thuishoort in een Belgische badplaats. Op dit terrein heerst complete anarchie. Hier mochten bewoners zelf hun huizen ontwerpen en bouwen, zelfs de Schoonheidscommissie was een oordeel over de plannen ontzegd. De straat is niet recht, maar kronkelt smal en gezellig en heet niet Mandela Dreef of iets dergelijks, maar gewoon Strandwal. De villa's? Een fantastisch vertoon van het wooncomfort dat in deze tijd als opperste luxe wordt aangemerkt. Ik kijk mijn ogen uit. Nooit zag ik op zo'n klein stukje grond zoveel onverantwoorde architectuur boven op elkaar gestapeld. Erkertjes, waranda's, terrassen, trapjes, scheve garages, zelfs hier en daar een bescheiden torentje. Het zou me verbazen als de bewoners van de Pal Maleterweg hier niet 's avonds likkebaardend hun wandeling maken.

Het is betreurenswaardig dat de Strandwal de Haarlemse Architectuurgids niet heeft gehaald. Ik weet zeker dat je met dit veelal witgekalkte sprookje uit 1992, de bezoekers van Haarlem en omstreken evenveel plezier doet als met de feeërieke Amsterdamse Poort uit 1355.