Tewerkgesteld in de Japanse bordelen van Nederlands-Indië; Oosters stille dwang

Nederlandse, Indische, Indonesische en Chinese vrouwen zijn gedurende de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tewerkgesteld in Japanse bordelen. Die conclusie kon zelfs de regering in Tokio onlangs in de eigen pers lezen. Toch blijven excuses achterwege, zolang niet eerst het bewijs wordt geleverd. Een overzicht van ronselarij, intimidatie en het afschuiven van de schuld.

De Japanse regering blijft achter de laatste berichten over gedwongen prostitutie tijdens de oorlog aanhinken. Aanvankelijk ontkende de regering dat er sprake was geweest van dwang, maar gezien het gepubliceerde bewijsmateriaal moest zij daarop terug komen. Het zou volgens de autoriteiten evenwel uitsluitend gegaan zijn om Aziatische vrouwen. Toen de Asahi Shimbun in navolging van het Indonesische blad Tempo vervolgens op de voorpagina berichtte over "Dutch women added to list of WW II sex slaves', liet de Japanse regering opnieuw een volmondige erkenning achterwege. Er volgde slechts een bereidverklaring om excuses aan te bieden indien nader onderzoek zou uitwijzen dat de berichten juist waren. Deze reserves wekken een vreemde indruk omdat in een officiële Japanse publikatie uit 1974 reeds melding werd gemaakt van de beruchte Semarang-zaak waarvan de stukken zich in het Japanse ministerie van Justitie bevinden. Bovendien kan de Japanse ambassade in Den Haag onder meer beschikken over de uitvoerige publikaties van mr. L.F. de Groot, president van de temporaire krijgsraad te Batavia.

Uit het in Nederland beschikbare materiaal blijkt dat er op verschillende plaatsen in Nederlands-Indië sprake is geweest van prostitutie van Nederlandse en Indonesische vrouwen ten behoeve van Japanse militairen en burgers waarbij in meerdere of mindere mate sprake was van dwang. Waar de vrijwilligheid eindigde en de dwang begon is niet exact aan te geven zonder rekening te houden met het karakter van het bewind van de Japanse bezetter en het oordeel daarover van de betrokken vrouwen. Vrouwen die het verlenen van seksuele diensten aan de Japanners verkozen boven een kommervol bestaan voor zichzelf of hun kinderen, kunnen moeilijk zonder meer als vrijwilligers worden aangemerkt. En het waren niet alleen de omstandigheden van de bezetting, het gebruik van fysiek geweld of dreigementen en de verstrekking van volledige informatie die bepalend waren voor de mate van vrijwilligheid, het ging ook om de mogelijkheid zich weer te kunnen onttrekken aan het bestaan als prostituée.

Getoetst aan deze uitgangspunten, is het duidelijk dat er op verschillende plaatsen in Nederlands-Indië vrouwen tot prostitutie zijn gedwongen. De Semarang-zaak valt daarbij op als het meest schrijnende geval ten aanzien van Nederlandse vrouwen. Het Nederlandse materiaal biedt echter ook bewijzen voor gedwongen prostitutie van Indonesische vrouwen die waarschijnlijk op veel grotere schaal plaatshad.

Contraspionage

Na de bezetting van Nederlands-Indië in 1942 moest het Japanse bestuur voorzien in de behoefte aan bordelen voor de Japanse burgers en militairen. Al snel ontstond de wens om naast de bestaande bordelen yosihara's, staatsbordelen, op te richten. Daar kon controle worden uitgeoefend op de verspreiding van geslachtsziekten en zou men ook contraspionage tegen kunnen gaan. Op Java was een lid van de generale staf van het Hoofdkwartier van het 16de Leger te Batavia als zogenaamde "Heitan'-officier belast met het bordeelbeleid en de bordeelvergunningen. Een van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning was dat de prostitutie vrijwillig gebeurde. Die vrijwilligheid moest blijken uit een door de vrouwen ondertekende bereidverklaring die het Hoofdkwartier in een standaardversie in het Japans en het Maleis beschikbaar stelde. De controle werd in beginsel overgelaten aan de locale legercommandanten, al waren inspectiereizen door het Hoofdkwartier niet uitgesloten. Voorts was bij het toezicht ook een belangrijke taak weggelegd voor de Kempeitai, de militaire politie.

Niet bekend

Het aanwerven van deze blanke vrouwen werd, zo blijkt uit de stukken, mede ter hand genomen door Nederlandse vrouwen die voor de oorlog reeds als prostituée werkzaam waren geweest. Dit was onder andere het geval in Semarang en in Batavia. De ronselaarsters werkten soms zelfstandig als bordeelhoudster en leverden dan vrouwen aan de yosihara's of woonden samen met Japanse bordeelhouders. Deze Nederlandse ronselaarsters waren gevreesd onder de vrouwen die buiten de interneringskampen waren gebleven en vaak in moeilijke omstandigheden verkeerden.

Twee Bataviase ronselaarsters kregen ook toegang tot de interneringskampen in Batavia en Bandoeng om vrouwen te werven. Berucht waren de praktijken van de ronselaarster die samenwoonde met de Japanse bordeelhouder van de Sakuraclub, een burgerbordeel dat in juni 1943 was opgericht op bevel van de resident van Batavia. Zij recruteerde vrouwen uit de kampen onder voorwendsel dat ze barwerkzaamheden zouden moeten verrichten en slechts een vaste Japanse vriend toegewezen zouden krijgen. Na aankomst in het bordeel dwong zij de vrouwen echter tot prostitutie met meer Japanners door te dreigen met de Kempeitai. Een concurrente van deze ronselaarster wist eveneens met onjuiste informatie en pressie in de interneringskampen vrouwen te werven voor de Theresiaclub in Batavia, een exclusief bordeel voor hoge Japanse officieren.

In zijn dagboek beschrijft mr. L.F. Jansen indirect hetgeen hem bekend is over de ronselpraktijken van beide Nederlandse dames: ""Aan de poort (van de Theresiaclub, red.) staan kleine kinderen terwijl moeder "bezig' is. Ik moet billijk blijven. Er is formeel geen dwang. Het gaat op Oostersch stille manier. De categorie moreel labiele vrouwen van de lagere volksklasse heeft geen bezwaar zich ter beschikking te stellen. De vrouwen worden vermoedelijk bovendien weggelokt met mooiere voorstellen dan de werkelijkheid. Het zal ook daar met vrijheid beginnen en met 'n gevangenis eindigen, net als hier.''

Keizerlijke verordening

Het ronselen door Nederlandse vrouwen binnen en buiten de kampen bleek de Japanners niet overal voldoende vrouwen op te leveren. Zij probeerden daarom ook zelf Nederlandse vrouwen te werven. Dat kon gebeuren door een groep vrouwen tijdens de voorbereiding van de algemene internering van alle Europese vrouwen af te zonderen en ze de keuze te geven tussen internering of prostitutie. Zo ging het tot twee maal toe in Bandoeng. Een andere methode was het achterhouden van een groep vrouwen bij het transport van het ene kamp naar het andere, zoals in Cheribon en Djember. In Soerabaja wist de Europese kampleiding van de Darmowijk in december 1943 echter te verhinderen dat bij het zogenaamde vierde transport naar het kamp Gedangang in Semarang, een groep van 100 vrouwen door de Japanners werd achtergehouden "om het kamp schoon te maken'.

Uitzonderlijker waren de gevallen waarin Japanse militairen of het Japanse civiele bestuur ertoe overgingen om zelf rechtstreeks vrouwen uit de interneringskampen te halen. Deze methode was bepaald minder aantrekkelijk. Niet alleen moest op verzet van de vrouwen worden gerekend, maar het vergde ook de medewerking of passieve instemming van alle betrokken partijen aan Japanse zijde, zoals het militair en civiel bestuur op locaal en centraal niveau, de kampcommandant en de Kempeitai. De kampen voor burgergeïnterneerden ressorteerden aanvankelijk onder het Naimusho, het Japanse ministerie van Binnenlandse Zaken, maar een keizerlijke verordening van 7 november 1943 bracht deze taak onder bij het ministerie van Oorlog. Op Java en Sumatra trad die overgang van het civiele naar het militaire beheer over de burgerkampen echter pas op 1 april 1944 in werking. De reden van dit uitstel is niet geheel duidelijk. Alle bekende pogingen van Japanners om vrouwen uit de kampen te halen vonden plaats voor 1 april 1944, dus in de periode van het civiele kampbestuur.

Op Sumatra hebben de Japanners geprobeerd om vrouwen uit de kampen Brastagi en Padang te halen. In beide kampen pleegden de vrouwen verzet. Uit Brastagi vertrokken tenslotte in mei 1942 twee van de acht geselecteerde vrouwen. In Padang wisten de vrouwen zowel in februari 1943 als in oktober 1943 te verhinderen dat de Japanners vrouwen meenamen. Uit de beschrijvingen door Van de Velden en De Jong blijkt niet welke Japanse autoriteiten (leger, burgerlijk bestuur, Kempeitai) het initiatief hadden genomen en verantwoordelijk waren.

Er zijn op Java ten minste drie gevallen bekend waarbij de Japanners probeerden vrouwen uit de kampen te halen voor hun bordelen. De vraag rijst of het toeval is geweest dat die alle plaatsvonden tijdens de overgangsperiode van het burgerlijk bestuur naar het militair bestuur tussen december 1943 en april 1944. In maart 1944 werden 8 vrouwen uit het kamp Tjihapit in Bandoeng op het kampkantoor geroepen door enkele in het kamp bekende Japanners. Deze vrouwen werd een verblijf buiten het kamp, identiteitspapieren en een maaltijd bij de Chinees voorgespiegeld. De gereedstaande auto's vertrokken vervolgens direct richting Shoko-club, een officierenbordeel, waar de reeds aanwezige Nederlandse en Indische vrouwen hen waarschuwden niet toe te geven. Ondanks aandringen van de Japanners, volhardden zes van de acht vrouwen in hun weigering en zij werden na twee dagen teruggezonden naar het kamp. Twee vrouwen verkozen in het bordeel achter te blijven.

In Magelang bestond een legerbordeel, de Magelang-club, dat onder leiding stond van een gepensioneerde officier van het Japanse leger. In dit geval was de Kempeitai nauw bij het bordeel betrokken. In december 1943 bezochten een aantal Japanners, onder wie de resident van Magelang, twee maal het vrouwenkamp Moentilan om een inventarisatie te maken van de beschikbare vrouwen. In overleg met de Nederlandse kampleiding werd een lijst van 50 vrouwen opgesteld. Toen de Japanners op 25 januari 1944 terugkwamen om een aantal vrouwen te selecteren en mee te nemen, had de kampleiding wel enige voorzorgsmaatregelen genomen door de moeders te waarschuwen hun dochters te verbergen en in overleg met de artsen meisjes in het hospitaal op te nemen. Ook had de kampleiding enkele vrouwen geselecteerd die afkomstig waren uit Soerabaja en de naam hadden dat zij zich eerder met Japanners hadden afgegeven. Desalniettemin moesten er toch nog vele meisjes voor de Japanners verschijnen die in aanwezigheid van de moeders bij de keuring de rokken van hun dochters optilden. Zo werden er naast zeven vrijwilligsters tenslotte ook acht meisjes geselecteerd van wie vaststond dat ze het kamp alleen tegen hun wil zouden verlaten.

De kampleiding en de artsen protesteerden vergeefs bij de keuring. Toen de vijftien vrouwen en meisjes gelegenheid kregen om hun spullen op te halen voor het vertrek, ontstond er ruzie tussen de moeders en de kampleiding en rees er spontaan verzet. De vrouwen dromden samen bij de poort om de afvoer te verhinderen. De Japanners, in het gezelschap van de resident en een Kempeitai-officier, zagen zich genoodzaakt de vrouwen uiteen te laten jagen door de Indonesische politie met klewangs en bamboestokken. De vrouwen werden afgevoerd naar de Magelang-club en daar tot prostitutie gedwongen. Na twee dagen keerden twee meisjes terug in het kamp dankzij de stampei die een oudere beroepsprostituée bij de Japanners had gemaakt. De dag daarop haalden de Japanners, ditmaal in nauwe samenwerking met de kampleiding, een tweede lichting van 8 vrouwen op die, op één vrouw na, uit vrijwilligers bestond en daarom geen aanleiding gaf tot protest in het kamp.

Kadettenschool

Het meest berucht is de zaak van gedwongen prostitutie in Semarang. In februari 1944 werden 35 vrouwen uit vijf interneringskampen in Semarang en Ambarawa gehaald om te gaan werken in vier bordelen in Semarang. Alleen in dit geval is meer bekend over de voorbereidingen aan Japanse zijde.

In Semarang was een kadettenschool gevestigd die onder leiding stond van generaal Nozaki. De school had een dependance in Magelang waarmee alleen formeel contact bestond over onderwijszaken. Informeel waren er ook andere contacten, zoals het bezoek van Semarangse officieren aan de genoemde Magelang-club. In januari 1944 stelde kolonel Okubo aan zijn collega Ikeda voor om het probleem van de geslachtsziekten onder de kadetten aan te pakken door Europese vrouwen uit de kampen te halen. Okubo meende dat daarvoor voldoende vrijwilligsters te vinden waren. Zij presenteerden dit voorstel aan generaal Nozaki die akkoord ging onder voorbehoud van instemming van het Hoofdkwartier te Batavia en medewerking van de resident. Ikeda nam daarop contact met de secretaris van de resident die zeer afhoudend reageerde. In februari vertrok Nozaki naar Batavia en sprak bij zijn vertrek op het station van Semarang met de resident over deze zaak. In Batavia kreeg Nozaki de instemming van de chef-staf Kokubo, als hij ten minste een concreet plan zou overleggen, terwijl generaal Saito krachtig aandrong op handhaving van de voorwaarde van vrijwilligheid om problemen te voorkomen.

Bij zijn terugkeer gaf Nozaki zijn adjudant opdracht om in overleg met de resident een vergunning aan te vragen. Die aanvraag werd vervolgens in opdracht van Nozaki door majoor Okada, de directe ondergeschikte van kolonel Okubo, voorgelegd aan het Hoofdkwartier te Batavia. Okada verving Ikeda die in februari naar Tokio vertrok en pas in maart weer terugkeerde in Semarang. Op de terugreis van Batavia naar Semarang, bezocht Okada ook de bordelen in Bandoeng waar Europese vrouwen werkzaam waren om zich nader te oriënteren. Het Hoofdkwartier verleende enkele dagen later schriftelijk de gevraagde vergunning om vrouwen uit de kampen te halen voor vier bordelen, inclusief de voorwaarde van vrijwilligheid. Nozaki spoorde zijn adjudant en Okada aan om in overleg met het residentiekantoor de bordelen volgens plan in te richten.

De ondankbare taak om de vrouwen uit de kampen te halen werd opgedragen aan een 21-jarige kapitein die moest samenwerken met enkele van de vier bordeelhouders en de residentiepolitie. Het ging om vier kampen in Semarang en twee in Ambarawa. Voordat de kapitein in deze kampen verscheen, had de politie in samenwerking met Japanners een inventarisatie gemaakt van de in aanmerking komende vrouwen tussen de 17 en 35 jaar. Nergens werd aangegeven waarvoor deze inventarisatie in werkelijkheid bestemd was. De reacties van de vrouwen in de kampen varieerden in intensiteit al naar gelang de houding van de Nederlandse kampleidsters en overige vrouwen. In Lampersari rees zoveel verzet dat de Japanners afzagen van het ophalen van vrouwen uit dat kamp. In minstens twee andere gevallen is sprake geweest van een krachtig protest. De Nederlandse kampleidsters in Gedangan hadden vooral oog voor het veilig stellen van hun dochters. Zij verzuimden de andere vrouwen tijdig te waarschuwen en het initiatief te nemen om vrijwilligers te vragen. Toen in het kamp bekend werd wat er stond te gebeuren, boden sommige vrouwen zich spontaan als vrijwilligers aan om de plaats in te nemen van de geselecteerde meisjes. De Japanners vonden deze vrijwilligers echter te oud en wezen het aanbod van de hand. Een van de vrouwen beschrijft de dag waarop de Japanners de vrouwen kwamen halen alsvolgt: ""Zaterdag was de finale. Alle vrouwen, moeders of niet, (...) besloten geen enkel meisje het kamp uit te laten gaan, de auto's stonden gereed, touwen gespannen, extra groote wacht en een heel stel Jappen, die het slachtvee zouden opbrengen. Alle vrouwen kwamen met stokken, gaspijpen enz. om het gevaar af te wenden. De Jappen liepen zwaaiend met de klewang tussen ons in, niemand week een centimeter. Een geloei ging op en allen stortten zich op de poort, toen het bijna gelukte om mevr. ... de poort uit te krijgen. Gelukkig hebben wij het gevaar af kunnen wenden, waarmee we onszelf plm. anderhalf jaar van erge terreur op den hals haalden, maar de meisjes van Gedangan waren gered. Er zijn toen vrijwilligsters gekomen (...). Er waren er die het echt deden om de meisjes te helpen; anderen hoopten op die manier een luxe leven te leiden.''

In het kamp Ambarawa 6 stond de Japanse kampcommandant achter het protest van de vrouwen tegen de afvoer van de geselecteerde meisjes, maar hij kon niet verhinderen dat de Japanners uit Semarang de protesterende vrouwen met geweld uiteendreven en de meisjes meenamen.

Shokoclub

De jonge Japanse kapitein die hierbij steeds aanwezig was, besefte dat nergens van vrijwilligheid sprake was. Hij protesteerde bij Okada en vroeg ontheffing van zijn taak, maar dat werd hem geweigerd. Alle opgehaalde vrouwen werden vervolgens samengebracht in de Shokoclub, het officierenbordeel in de Kenarilaan waar ze gedwongen werden de bereidverklaring te ondertekenen. Na een ruw medisch onderzoek werden ze vervolgens verdeeld over de vier bordelen en daar gedwongen tot prostitutie. Al op de eerste avond vergrepen Okada, een arts en een bordeelhouder zich aan meisjes die zich daartegen vergeefs verzetten. Twee meisjes ondernamen een mislukte vluchtpoging en een daarvan probeerde vervolgens zelfmoord te plegen door haar polsen open te snijden. Twee andere vrouwen ondergingen een abortus.

Deze misstanden werden snel algemeen bekend in Semaranag al durfde niemand er een einde aan te maken. Dat werd pas nodig nadat het bestuur over de kampen op 1 april 1944 in handen van het leger kwam. Het Hoofdkwartier van het 16de Leger benoemde toen per district een verantwoordelijke militair. Zo arriveerde in april ook een Japanse kapitein in Semarang. Hij werd door een Japanse kamparts in contact gebracht met een van de moeders van de uit het kamp Halmaheira weggevoerde meisjes. De kapitein vroeg daarop telefonisch instructies aan het Hoofdkwartier in Batavia. Dat telefoontje zette de zaak op scherp omdat zowel het Hoofdkwartier als Nozaki, die via zijn adjudant inmiddels ook op de hoogte was gebracht, nu moesten reageren.

In Batavia was op dat moment kolonel Odajima uit Tokio gearriveerd die in opdracht van de Japanse regering een inspectiereis langs de kampen op Java zou maken. Op het Hoofdkwartier werd hij ingelicht over de situatie in Semarang. Odajima verbleef slechts een halve dag in Semarang en sprak in Halmaheira direct met de moeder die haar klacht eerder naar voren had gebracht. Hij trok daaruit direct de conclusie dat de vrouwen uit de bordelen gehaald moesten worden en legde dit advies neer in brieven aan het Hoofdkwartier en maarschalk Terauchi in Singapore. Het is niet bekend of Odajima nog contact had met de Japanse officieren in Semarang. Hij had in elk geval niet de bevoegdheid een onderzoek naar hun gedrag in te stellen of maatregelen te nemen. Het Hoofdkwartier reageerde prompt met het bevel aan Nozaki om de vrouwen uit de bordelen te halen. Ze werden overgebracht naar het kamp Kota Paris in Buitenzorg. Daar werden ook de Nederlandse vrouwen uit andere bordelen op Java, waaronder die te Bandoeng, ondergebracht. In sommige gevallen werden de moeders van meisjes uit de kampen gehaald en bij hun dochters in Kota Paris gevoegd. Er waren daar uiteindelijk ruim honderdtien vrouwen die tegen het einde van de bezetting werden overgebracht naar het kamp Kramat in Batavia. Tegen geen van de betrokken officieren werden disciplinaire maatregelen genomen.

Pijnlijke keuring

Daarmee was nog geen einde gekomen aan de gedwongen prostitutie in Semarang. In april 1944 werd door de residentiepolitie een razzia gehouden onder de vrouwen in Semarang die buiten de kampen woonden. Ruim honderd Indische, Indonesische en Chinese vrouwen werden overgebracht naar de Shoko-club voor een pijnlijke keuring en controle. Buiten op straat had zich een grote menigte van schreeuwende familieleden gevormd die vergeefs protesteerden. Zeventien vrouwen belandden via Soerabaja in een soldatenbordeel op Flores waar ze tot prostitutie werden gedwongen.

Na de oorlog werden de verantwoordelijke Japanse officieren, artsen en bordeelhouders opgespoord en verhoord. Kolonel Okubo werd begin januari 1947 gevonden in zijn woonplaats in Japan.

Pag 8: Oosters stille dwang

Twee dagen na zijn verhoor pleegde hij op klassieke wijze zelfmoord in een tempel. Okubo liet een afscheidsbrief na waarin hij de schuld voor de gedwongen prostitutie op anderen schoof. Tijdens de drie processen die in 1948 over deze zaak werden gevoerd door de temporaire krijgsraad in Batavia, schoven de Japanse beklaagden de schuld ook bij voorkeur op anderen. De processen eindigden met de doodstraf voor Okada en gevangenisstraffen voor de andere Japanners. Geen van hen heeft langer vastgezeten dan tot 1956. In dat jaar werden de laatste Japanse oorlogsmisdadigers die nog voor Nederland gevangen zaten in de Sugamo-gevangenis, op vrije voeten gesteld.

Het beeld van de gedwongen prostitutie in Nederlands-Indië is nog verre van volledig. Dit geldt met name voor de situatie buiten Java en voor de gedwongen prostitutie door Indonesische en Chinese vrouwen. Daarover is veel minder schriftelijk materiaal beschikbaar. Uit de beschikbare stukken, die allemaal betrekking hebben op het gebied dat onder gezag stond van de Japanse marine, blijkt onder meer dat in juni 1942 een groep van 25 Chinese vrouwen uit Singapore onder dwang te werk werd gesteld in een bordeel op het eiland Halmaheira totdat ze vervangen werden door 50 Indonesische vrouwen die uit Java waren weggevoerd. Voor de bordelen op Halmaheira werden ook onder dwang vrouwen weggehaald uit de kampongs van omringende Molukse eilanden. Verder is er sprake geweest van prostitutie van inheemse vrouwen in Pontianak die daartoe werden gedwongen door de Tokeitai, de marinepolitie. Op Celebes werden inheemse vrouwen onder valse voorwendselen in bordelen geplaatst.

Uitvoeriger gegevens worden verstrekt door een Nederlandse tolk op Timor die beschrijft hoe de Japanse kampcommandant bij Koepang hem meenam naar de kampongs in de buurt om daar om vrouwen te vragen. De commandant ving echter bot door het gewiekste optreden van de tolk en de dreigende houding van de kampongbewoners, toen die eenmaal beseften waar de Japanner op uit was. Later moest de tolk te Kofamenanoe aan de radja's meedelen dat zij de Japanners vrouwen moesten leveren omdat de Japanners ze anders zelf zouden komen halen. De Japanners keurden de eerste zending vrouwen af en bedreigden de radja's nu met afzetting als er geen betere vrouwen volgden. Daarop zwichtten de radja's en verdween de tweede zending vrouwen in het bordeel.