Lessen van de tuchthuisboef; Balzacs Vader Goriot vertaald

Honoré de Balzac: Vader Goriot. Vertaling en nawoord: Hans van Pinxteren. Uitg. L.J. Veen, 287 blz. Prijs ƒ 39,90.

“Een grote stap voorwaarts is zojuist gezet. Toen zij in Vader Goriot enige personages die al eerder waren geschapen zagen terugkeren, begrepen de lezers een van de stoutmoedigste bedoelingen van de auteur: leven en beweging te schenken aan een totale, fictieve wereld, waarvan de personages misschien zullen voortbestaan als het grootste deel van hun modellen dood en vergeten zal zijn.”

Dit schreef Honoré de Balzac kort na het voltooien van Le père Goriot. Alleen al dat ik hier schrijf over Hans van Pinxterens vertaling van het boek, geeft aan dat Balzac gelijk gekregen heeft. Door het lezen van zijn uit vele afzonderlijke romans bestaande comédie humaine raakt men door de fictieve wereld die Balzac daarin oproept, vertrouwd met de Franse samenleving van de eerste helft van de vorige eeuw. Balzac zag zichzelf niet zozeer als schepper van een oeuvre, maar als een secretaris die slechts weergaf wat hij om zich heen waarnam. Dat is natuurlijk al te bescheiden, want "leven en beweging schenken' is nu juist geen klerkenarbeid, maar lijkt eerder op een bondige formulering van het scheppingsproces.

Vader Goriot blijkt dus binnen het werk van Balzac van groot belang te zijn geweest, omdat met deze roman de conceptie van de comédie humaine gestalte kreeg. Zijn romans zouden voortaan meer zijn dan losstaande verhaaltjes, ze gingen deel uitmaken van een groter geheel, als bouwstenen voor een uiteindelijke kathedraal. Het bindende element, dat wil zeggen datgene waardoor men zich al snel "herkennend' thuisvoelt in elke volgende roman, is een aantal terugkerende personages die, de een vaker dan de ander, opnieuw een hoofd- of bijrol opeisen in de intrige van het betreffende boek. De gedachte dringt zich dan op dat men, voor een goed begrip van de comédie humaine, het hele werk in een strikte chronologie zou moeten lezen, maar dat is een te zware en niet noodzakelijke eis omdat de introducties van de personages in elk nieuw boek over het algemeen wel volstaan. Bovendien bestaan er boekjes met beschrijvingen van de personages en de vindplaatsen in de diverse romans. Heel nuttig, ook voor de grootste Balzac-fanaat die alles al wel kent.

De interessantste "terugkerende' personages in Vader Goriot zijn Vautrin en Eugène de Rastignac. Zij debuteren in dit boek als gasten in een armoedig Parijs' pension, dat onder de gasten ook de gewezen vermicellifabrikant Goriot telt. De beminnelijke Goriot zit financieel aan de grond omdat hij wordt kaalgeplukt door zijn twee mooie dochters Anastasie de Restaud en Delphine de Nucingen die voor hun "carrière' in de hoge aristocratische kringen en voor het onderhoud van hun minnaars meer geld nodig hebben dan hun echtgenoten kunnen of willen opbrengen. Het is een lot dat Goriot met liefde ondergaat, omdat de enige hartstocht in zijn leven nog is er voor te zorgen dat het zijn verafgode dochters aan niets ontbreekt. Eugène de Rastignac is een aankomende rechtenstudent van arme, provinciale adel, maar weet dank zij een nicht, mevrouw De Beauséant, toegang te krijgen tot de salons. Hij ontmoet er Anastasie, en leert later ook Delphine kennen, op wie hij snel verliefd wordt. Hierdoor ontstaat ook een band met vader Goriot, die meent dat Delphines laatste kans op een gelukkig leven een verbintenis met de goedhartige en in wezen eerlijke Eugène is.

Moraal

De ontsnapte tuchthuisboef en aartscynicus Vautrin heeft echter andere plannen met Eugène en wil hem, ook ten eigen bate, koppelen aan een rijke erfgename in het pension, maar daartoe moet eerst haar broer uit de weg worden geruimd. Ondertussen geeft hij Eugène lessen in de moraal: “En als ik je nog een goede raad mag geven, lieve jongen: wees niet gehecht aan je principes, al net zo min als aan je woorden. Vraagt iemand erom, verkoop ze dan. (-) Principes bestaan niet, er zijn alleen gebeurtenissen; er zijn geen wetten, alleen omstandigheden. Een man van formaat past zich aan gebeurtenissen en omstandigheden aan en zet ze naar zijn hand.”

De plannen gaan op het nippertje niet door, omdat Vautrin door een pensiongaste wordt verraden en vervolgens door de politie gearresteerd in een van de fraaiste scènes uit het boek. Maar dan heeft de lezer al voldoende vertrouwen in de handigheid van Vautrin om te vermoeden dat zijn gevangenschap ook nu wel weer niet van al te lange duur zal zijn, en inderdaad blijkt hij later in de comédie humaine weer op te duiken als... commissaris van politie. Interessant is dat het portret en de levensloop van deze Vautrin naar het leven getekend zijn. Model heeft gestaan ene Vidocq, hoofd van wat later de Sûreté zou gaan heten en met wie Balzac meermalen uit eten is geweest.

Met vader Goriot loopt het ondertussen wel slecht af. Na een heftige woordenwisseling met zijn dochters krijgt hij een hersenbloeding en sterft uiteindelijk met alleen maar Eugène en een collega-student aan zijn bed. De dochters hebben het te druk met hun eigen problemen om hun vader nog een laatste maal te bezoeken en hem te begeleiden naar de begraafplaats. Voor Eugène betekent het de bevestiging van wat Vautrin hem, de naïeve provinciaal, had trachten te leren. Hij is nu door de wol geverfd en neemt de uitdaging die Parijs is aan. Op het eind van het boek spreekt hij de stad toe met de woorden: "Nu gaat het tussen jou en mij!', om vervolgens te gaan dineren bij Delphine de Nucingen.

Men kan Vader Goriot zien als de mooiste smartlap uit de wereldliteratuur, maar het boek is veel meer dan enkel de ongelukkige liefde van een vader voor zijn dochters. Het geeft ook een prachtig tijdsbeeld van de Restauratie, waarin oude geestelijke waarden het geleidelijk aan moeten afleggen tegen de macht van het geld en waarin de armoede zich vertoont in steeds schrijnender gedaantes.

Het is goed dat Van Pinxteren na vertalingen van Flaubert en Stendhal nu ook aan Balzac is begonnen, want zijn boeken zijn prachtig en ze zullen ook nu nog een groot publiek aanspreken. Van Pinxterens vertaling is, als gewoonlijk, boven alle kritiek verheven. Hij volgt Balzac nauwkeurig en als deze wat speelt met binnenrijm ("elle pue le service, l'office, l'hospice'), dan heeft hij onmiddellijk het antwoord klaar: "de zweetlucht van slaafje, sloofje, bejaardenhofje' (blz. 15). Ik vond slechts een enkel onjuistheidje: uit een mortier komen geen kogels (blz. 101), maar granaten, of "bombes' zoals Balzac schrijft. Het accentueert alleen maar, als een tache de beauté, al het overige moois.