Syrië is diep bezorgd over het water uit Turkije; "Israel is niet de enige doodsvijand van Syrië, anti-Turkse gevoelens zijn ook heel sterk, vooral bij de ouderen'

Met een miljoenen verslindend feest wijdden de politieke leiders van Turkije vorige week zaterdag de Atatürk-dam in aan de rivier de Eufraat - op nog geen 100 kilometer afstand van de grens met Syrië. De dam is onderdeel van het gigantische Zuidoost-Anatolia-Project, dat een gebied ter grootte van België tot een rijk landbouwgebied moet maken en de elektriciteitsvoorziening van Turkije met vijftig procent moet opvoeren.

Maar voor één van de gasten - de Syrische minister van irrigatie Abdel Rahman al-Madani - was er geen enkele reden tot blijdschap. Want Syrië voelt zich, evenals Irak, zeer bedreigd door de ambitieuze Turkse plannen. Beide landen vrezen dat Turkije in de toekomst naar believen de waterkraan open en dicht zal draaien, afhankelijk van hun goede gedrag. Zij hechten geen geloof aan de plechtige verzekeringen uit Ankara dat Turkije het water nooit en te nimmer voor politieke doeleinden zal gebruiken.

Met name Syrië heeft reden tot grote zorg. Het is voor 90 procent van zijn waterbehoefte afhankelijk van water uit de Eufraat. Nu al kampen de grote steden in Syrië met ernstige watertekorten - en daardoor met de uitval van electriciteit. Volgens de schattingen zal de hoofdstad Damascus komend jaar ernstig watergebrek hebben door de nieuwe investeringen in de industrie en in de landbouw. En volgens de Wereldbank krijgt Syrië over een jaar of acht een watertekort van 1 miljard m³ per jaar als de huidige bevolkingsaanwas en de daarmee gepaard gaande consumptiepatronen aanhouden.

Vorig jaar probeerden Syrië en Irak de andere Arabische landen te verleiden gezamenlijk Turkije te dwingen om meer dan de in 1987 afgesproken 500 m³ water per seconde door de Eufraat-dam door te laten en - nóg belangrijker - een internationaal verdrag te tekenen over het gemeenschappelijke gebruik door alle rivierstaten van de wateren van de Eufraat en de Tigris.

Maar daarvoor was het Arabische kamp veel te verdeeld. En de Turkse regering heeft, afgezien van meer dan vier miljard dollar uit eigen middelen, al veel te veel nationale hoop en trots geïnvesteerd in het Zuidoost-Anatalia-project, dat één van de armste gebieden van Turkije moet omtoveren in de graanschuur en de groentetuin van zowel Europa als het Midden-Oosten.

De inwijding van de dam bood premier Suleyman Demirel een mooie gelegenheid om zijn Arabische buren duidelijk te maken dat Turkije weer een regionale grootmacht is en zeker niet van plan is voor Arabische druk te wijken. Aan de vooravond van het feest zei hij: “Dit is een zaak van soevereiniteit. De regio ligt binnen ons grondgebied. Wij hebben het recht te doen wat wij willen. Waarom zouden zij daarop reageren? Het staat hun vrij om op hun grondgebied te doen wat zij willen (...) De waterrijkdom is van Turkije en de olie is van hen. Aangezien wij niet zeggen "hé, wij hebben recht op de helft van jullie olie', kunnen zij datgene wat ons toebehoort niet opeisen. (...) Deze grensoverschrijdende rivieren zijn van ons, tot aan het punt dat zij over de grens gaan.”

De boodschap liet niets aan duidelijkheid te wensen over. De Syrische media, gedirigeerd door het ministerie van voorlichting, reageerden dan ook ingehouden furieus. De officiële regeringskrant Tishreen gaf zondag in een commentaar op de voorpagina uiting aan de Syrische 'verbazing'. Het blad merkte op dat Demirels opmerkingen in strijd waren met de verdragen tussen de twee landen - met name het waterverdrag van 1987.

“Syrië”, aldus Tishreen, “roept op tot een eerlijke verdeling van de wateren van de Eufraat en de Tigris, opdat de Syriërs niet drinkwater en water voor irrigatiedoeleinden wordt ontzegd. Niemand heeft het recht die wateren om te leiden en de Syriërs aan een ramp te onderwerpen. Als elk land rivieren zou omleiden met de bewering dat die wateren op zijn grondgebied liggen, zou de hele wereld aan ernstige gevaren worden bloot gesteld.” Het commentaar sloot af met de wens “dat de Eufraat en de Tigris ons zullen blijven verbinden, dat zij een weerspiegeling zullen zijn van samenwerking en vriendschap, en dat zij in de regio geen spanningen en instabiliteit zullen oproepen”.

Vier dagen later herhaalde de partijkrant Al Ba'ath dezelfde argumenten en vrome wensen, maar verbond daaraan impliciet een dreigement. Syrië, zo schreef de krant, “was er altijd op uit goede nabuurbetrekkingen te onderhouden, het vraagstuk van de wateren in de hand te houden en naar overeenstemming te zoeken.” Thans echter waren de uitspraken van de Turkse premier “in strijd met de aard van de Syrisch-Turkse betrekkingen en met de internationale wetten over het recht om internationale wateren te verdelen”. Die uitspraken waren “niet alleen verbazingwekkend voor Syrië, doch ook voor de Arabische Natie en voor de wereld”.

Al Ba'ath mocht dan wel schrijven over de sinds lang “natuurlijke en vriendschappelijke betrekkingen die tot nu door niets werden bedreigd”. De politieke realiteit was echter, lang vóór de huidige watercrisis, totaal anders.

“Op het eerste gezicht lijken de Syriërs alleen in Israel hun doodsvijand te zien”, vertelde enkele weken geleden een buitenlander die al vele jaren in Syrië woont. “Maar dat is een vergissing. De anti-Turkse gevoelens zijn hier heel sterk, vooral bij de ouderen.”

Volgens deze ingewijde heeft Syrië drie vrijwel onoplosbare problemen met Turkije, die nauw met elkaar verbonden zijn:

het water van de Eufraat, dat voor Syrië van levensbelang is; de Syrische steun aan de gewapende opstand van de Turks-Koerdische beweging PKK; het gebied rond Iskenderun dat in zuid-Turkije ligt, maar nog steeds door Syrië wordt opgeëist.