Nooit komen rampen eenzaam als verspieders

Ik was uitgenodigd om aan een filmportret van Jan Wolkers mee te werken en dat is iemand waar je geen nee tegen zegt. Bovendien, zo was mij verzekerd, is het een aardige reis. Eerst spoor je Noord-Holland door in de richting van Den Helder, dan brengt de aansluitende stadsbus je naar de haven, waarna de veerboot je vervolgens naar Texel transporteert. Daar zou de schrijver op de kade staan, mèt de cameraploeg, want het was de bedoeling dat wij de hele dag discreet op de vingers werden gekeken.

Vrijdagmorgen. Tas aan de hand, regenjas over de arm betreed ik het Amsterdamse Centraal Station. Ruim op tijd, ik lijd aan een lichte mate van perronvrees. Het elektronisch spoorboek in de hal wijst uit, dat mijn trein vanaf perron 11a zal vertrekken. Ik klim het vervoermiddel in en zoek een coupé uit. Ik heb slechts één medepassagier in mijn compartiment, een gebruinde jongeman met een rugzak. Veel rugzakreizigers, deze reis, dat had ik al gemerkt - er wordt op Texel ongetwijfeld druk gekampeerd.

De trein rijdt met enige vertraging het station uit. Die jongen zegt iets over het mooie weer, ik zeg op mijn beurt iets suffigs over ons late vertrek waardoor wij hopelijk niet de aansluiting met de veerboot naar Tessel zullen missen.

“De veerboot? Naar Tessel? Dit is de trein naar Berlijn”, zegt de jongen.

In een telefooncel van station Hilversum draai ik het telefoonnummer van de schrijver.

Even overweeg ik mij lafhartig achter een stroomstoring te verschuilen. Maar een man als Wolkers lieg je niet voor. Dus verontschuldig ik mij voor mijn ezelachtigheid en laat weten dat ik een trein later - dus precies een uur later, het spijt me - zal arriveren.

“Kerel”, zegt Wolkers, “dat hindert allemaal niks. Hoe later je komt, hoe mooier het licht hier op Tessel is.”

Ik hang op en boemel richting Amsterdam. Hilversum-Zuid. Naarden-Bussum. Weesp. Diemen. Met een marge van ruim een half uur heb ik alle tijd van de wereld. Behalve als de machinist even voor 's lands hoofdstad op zijn remmen gaat staan en zijn passagiers drie kwartier laat wachten. Dat betekent, zo besef ik al spoedig, dat ook de volgende trein naar Den Helder zal worden gemist. Eindelijk maakt het voertuig aanstalten om die laatste paar honderd meter af te leggen. Tandenklapperend van schaamte en plaatsvervangende schaamte schuifel ik andermaal een telefooncel in. Ik voel mij een ont-zet-ten-de lul, verzeker ik mijn gastheer, al was het dt keer, niet mijn schuld. Hoe dan ook, weer was de trein zonder mij vertrokken, hetgeen betekende ...

“Kerel”, zegt Wolkers, “je weet wat Shakespeare schreef: Nooit komen rampen eenzaam als verspieders”. Welnee, ik hoefde mij helemaal niet te verontschuldigen. Wij hadden tenslotte nog uren en uren tot onze beschikking en wij gingen er ongetwijfeld wat moois van maken.

Enigszins getroost betreed ik mijn derde trein van die dag. Nu kon er eindelijk niets mis meer gaan. Behalve als ook deze trein weinig aanstalten maakt. Drie minuten. Vijf minuten. Tien minuten - eindelijk schuift het ijzeren monster richting Sloterdijk. Het zweet loopt inmiddels met stralen over de rug. Want die tien minuten kunnen mij precies de aansluiting met de veerboot kosten en ik zag mij alweer in een telefooncel staan: “Jan, ik bel je dit keer vanuit Den Helder. Ik durf het je haast niet te vertellen, maar ...” Tot mijn opluchting is de trein bij Castricum weer op schema. Nog enigszins bibberig neem ik Wolkers' bundel Tarzan in Arles ter hand, een boek met even fraaie als aanstekelijk geschreven essays. Over de letterkundige uitstraling van de Heilige Schrift, bijvoorbeeld. Ook op de jonge Wolkers, die, toen hij het ouderlijk huis verliet, “niet zozeer gesticht was door een heilsboodschap alswel onderwezen in de wetten van dramaturgie, poëzie en dialoog”. Zoals de Heilige Schrift, constateert Wolkers, ook een ogenschijnlijke godloochenaar als Multatuli diepgaand heeft beïnvloed. “Mattheus 19, dat over het huwelijk gaat, heeft hij met zoveel gevoel voor de tale Kanaäns en vooral voor de positie van de vrouw herschreven dat het zelfs professor Dessauer in de verleiding zou brengen haar dildo te verruilen voor een boterbriefje.”

Goed gebruld, Leeuw van Texel! Ik sla het boek dicht. Wij zijn al in Den Helder-Zuid. Nog net op tijd om op het toilet de ergste plakkerigheid te verwijderen. Het koude water spoelt over mijn polsen. Terwijl de trein bezijden het perron parkeert open ik de deur van het vertrekje ... probeer ik de deur te openen, want het slot weigert te wijken, hoezeer ik er ook aan ruk en trek. Nu dreig ik ècht mijn verstand te verliezen. Ik zie al het apocalyptische visioen voor ogen: mijn trommelende vuistjes tot bloedens toe op de deur stukgeslagen, terwijl m.s. Schulpengat onderwijl tergend langzaam de haven van Den Helder uitdeint. Dan geeft het slot plotseling de juiste klik en wandel ik in de richting van mijn reisbagage.

Voorzichtig, heel voorzichtig betreed ik het vaartuig. Nee, laat ik maar geen kroket nemen, want die zit vandaag vast vol salmonellen. En laat ik maar uit de buurt van de balustrade blijven, want je zal zien dat ik regelrecht het Marsdiep intuimel - en daar zijn weinig telefooncellen voorhanden. Pas in het zicht van de haven waag ik mij richting stuurboord. Daar staat de schrijver op de wallekant, met zijn kamerbrede schouders en zijn karakteristieke kop-met-haar. Uitgelaten zwaait hij naar zijn verlate gast. Wat is het toch een weldaad als mensen zo aardig en geduldig zijn... Alle opgefoktheid lost zich op in de heldere Texelse luchten. Zal eindelijk Gods zegen op deze dag zijn neergedaald?