Martin Bril over wielrennen

Wielrennen is een sport die het van verhalen moet hebben en dat is geen toeval. Een goeie koers heeft van zichzelf al de vorm van een verhaal: een begin, midden en een einde. Helden, verliezers, obstakels, tegenslagen, de elementen en strijd. Dit geldt in het bijzonder voor wedstrijden op de weg. Niet voor niets worden van oudsher de grootste wedstrijden, klassiekers, de Tour en de Giro, door kranten georganiseerd. Het is een sport om over te vertellen en omdat de wedstrijd zo eenvoudig van opzet is, is dat ook niet moeilijk.

De renners beginnen, op een gegeven moment, en ze eindigen later op de dag. Dat is alles. De enige afspraak die is gemaakt geldt de route en het materiaal. Allemaal rijden ze dezelfde kant op, tot er een streep komt, - dan is het voorbij. En allemaal rijden ze op een fiets. Nogal logisch. Tussen start en finish moet het gebeuren, kan het eenvoudiger? Het lijkt het leven zelf wel.

Vergelijk dat eens met voetballen. Twee keer elf mannen spelen twee keer drie kwartier met één bal. Waarom elf? Waarom anderhalf uur? Waarom niet met twee ballen? Waarom eigenlijk met de voet? Voetbal is een spel binnen allerlei conventies en alleen hele goeie vertellers kunnen er een mooi verhaal van maken. En dan nog blijft het een spelletje, Cruijff heeft het zelf gezegd.

Wielrennen is geen spelletje, het is een sport, nee, het is een strijd, net als hardlopen, ook zo'n activiteit met alleen maar een begin en een einde en verder niets dan dat wie het eerst aankomt heeft gewonnen. Glorieuze eenvoud.

Het wielrennen dat we op de Olympische Spelen te zien krijgen is van een andere orde. Het meeste speelt zich af op de baan; achtervolging, sprint en tijdrijden. Onnatuurlijk vind ik dat, de fiets is niet uitgevonden om mee in een houten badkuip te rijden, de fiets is er om bergen, kasseistroken en vluchtheuvels mee te bedwingen.

Daar staat tegenover dat het rijden op de baan een zuivere vorm van sport is. Het is of man tegen man, of man alleen tegen de klok. Het gaat puur om wie de snelste is, maar spannend is het niet, sterker nog; het is saai en mechanisch. Niet voor niets zijn de wielrenners in hun glanzende pakken verlengstukken van hun fiets, het lijken wel robots. Geen wonder dat sporters uit het voormalige Oostblok er zo goed in zijn. En nooit valt er eens eentje dood van zijn fiets.

Anders is het gesteld met de olympische wedstrijden op de weg. Die worden ontsierd door het gebrek aan reclame en de afwezigheid van publiek. Een wielrenner die niet van top tot teen met reclame is bepleisterd, kan ik niet serieus als wielrenner waarnemen. Wel als sportman, - ooh, dat is geen punt -, maar niet als coureur, laat staan dat hij ooit een held zal worden. Het lijkt wel alsof hij in zijn blootje fietst. Het is geen gezicht en een permanente en schrijnende herinnering aan het feit dat de beste wielrenners, de professionals, elders in het zonnetje liggen of om een kerktoren koersen. En waarom zou ik naar de tweede garnituur kijken alleen omdat die het leuk vind om mee te doen aan de Spelen? Dat er geen hond op de olympische wielerwedstrijden op de weg afkomt, bewijst dat ik niet de enige ben die er zo over denkt. En al was ik wel de enige, wat dan nog? Dan zouden in ieder geval duizenden het parkoers omzomen, misschien dat het daardoor nog echt op een belangrijke koers gaat lijken. Wie weet.

Mijn perceptie van het olympische wielrennen is een sombere, maar ik zie toch nog wel wat lichtpuntjes. Goddank is het fietsen nog geen kindersport. Men treft er geen veertienjarige meisjes in aan die immer chagerijnig voor zich uit staren, serieus tot op de botten die dwars door de schrale borstkas heen schijnen. En voorzover ik heb kunnen vaststellen zijn er ook geen kaalgeschoren reuzen. Trouwens ook geen hysterische godsdienstfanaten.

Nee, afgezien van hun dijen, maken olympische wielrenners de indruk normale mensen te zijn. Dat is goed nieuws, hoewel een leuke dwaas op zijn tijd ook geen kwaad kan. Verder mogen we van geluk spreken dat er geen schoonheidsprijzen zijn te vergeven voor de mooiste balans tussen lichaam en fiets, voor de elegantste sur place, de rechtste lijn in de piste en de strakste formatie in het ploegrijden. Dat zou het wielrennen pas echt degraderen tot zoiets onbenulligs als schoonspringen of vrij oefenen op de mat. Circusattrakties waarin de mooiste flipflap wint. Zover zal het met het wielrennen nooit komen. Een schrale troost.