Kaasjongen

Toen we terug waren van onze reis door de woestijn, zei mijn vriend Jan: “Ik heb toch zo'n zin in een kadetje met Friese nagelkaas.” Jan ging kadetjes halen en ik ging naar de kaaswinkel. Achter de toonbank stond Woppie, de kaasjongen. Op het puntje van zijn neus zat een grote rode bult. “Woppie, ben je door een wesp gestoken?”, vroeg ik.

“Nee, ik heb een botsing gehad”, zei Woppie.

“Met een auto?”, vroeg ik.

“Nee, met een kever”, zei Woppie.

“Ik ben lid van de club van drakenvliegers. Je weet toch wel wat een draak is? Een draak is zo'n vliegtoestel met twee grote vleugels waar je onder hangt. Nou, ik was net lekker aan het vliegen boven het strand, botst er ineens zo'n stomme kever tegen me op. Het is altijd hetzelfde met die kevers. Kevers vliegen maar raak. Geef mij maar meeuwen, die geven je de ruimte. De meeuw is een heer in het luchtverkeer. Kevers zouden ze een vliegverbod moeten opleggen.”

Woppie was bezig met het inpakken van de nagelkaas toen de winkelbel rinkelde. Hij keek over zijn schouder naar de deur en het volgende moment had hij een hoofd als een boei. Er was een meisje binnengestapt met korte zwarte haren en grote bruine ogen. Ik had het meisje al eerder gezien en wist dat ze Tessa heette. Ik zei de kaasjongen gedag en verliet de winkel met het pakje nagelkaas.

Toen ik weer eens in de kaaswinkel was, zei Woppie: “Ik kan toch zo goed gezichten onthouden. Er was laatst een meisje in de winkel dat ik nog nooit had gezien. Maar als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik haar weer voor mij staan. Ze heeft kort zwart haar en haar ogen hebben de kleur van beukenootjes. Als ze lacht, krijgt ze een kuiltje in haar rechterwang. Ze heeft één kuiltje, dat vind ik veel leuker dan twee kuiltjes. Ik bedoel, een kuiltje in iedere wang zie je zo vaak, dat is niks bijzonders. Maar een meisje met één kuiltje ....Zeg, wat ik vragen wilde, weet jij misschien toevallig hoe dat meisje heet?”

“Tessa”, zei ik.

Een tijdje later kwam ik Tessa weer tegen in de kaaswinkel. Het was er druk. Ik werd geholpen door de kaasboer zelf en Tessa door de kaasjongen. De pakjes kaas van Tessa en mij werden naast elkaar op de toonbank gelegd. De volgende ochtend bij het ontbijt zei Jan toen hij het pakje openmaakte: “Wat een gekke nagelkaas, hij lijkt op Leidse kaas.”

“Dat klopt, het is Leidse kaas. Ik denk dat ik per ongeluk de kaas van Tessa in mijn tas heb gestopt en dat Tessa mijn nagelkaas heeft meegenomen”, zei ik.

“Wat vreemd, er zit een briefje tussen de kaasplakken”, zei Jan verbaasd.

Het briefje zat in een dubbelgevouwen stukje vetvrij papier. Op het briefje stond: “Gedicht voor Tessa. Jij ziet in mij een kaasjongen / Maar ik word een poëet zodra jij bij mij binnenstapt / En mijn verstand niet langer weet van kaasprijzen en kilogrammen / Oh, als een meikaas leef je in mijn hart / Maar om zes uur begint mijn smart / Als de winkel sluit, is het sprookje uit / De deur gaat dicht door de winkelsluitings-plicht / En als jij niet kan verschijnen / Wil ik het liefst van de aard verdwijnen.

PS. Tessa, heb je zin om zaterdagavond met mij naar de disco te gaan? Groeten van Woppie.''

De volgende keer dat ik Tessa in de kaaswinkel zag, hoorde ik haar tegen de kaasjongen zeggen: “Je hebt me laatst nagelkaas gegeven in plaats van Leidse kaas. Maar dat is niet erg hoor. Geef mij nu maar nagelkaas, die is veel lekkerder dan Leidse kaas heb ik ontdekt.”

“Pas maar op met die nagelkaas, mijn vriend Jan is er aan verslaafd geraakt”, zei ik tegen Tessa.

Woppie zweeg. De arme kaasjongen had weer een hoofd als een boei gekregen.