Ironie is een kwaal van deze tijd; Gesprek met schilder Jaap van den Ende

De meeste jonge kunstenaars hebben niets te vertellen, vindt de schilder Jaap van den Ende. Ze doen wat de kunshistorici van hen verwachten en breien braaf voort aan de kunstgeschiedenis. Onlangs publiceerde Van den Ende "Uit het atelier. Een stellingname', een essay over zijn opvattingen over kunst. “Schilderen gaat nooit alleen over schilderen. Driekwart van de meesterwerken in de musea gaan ergens over, zijn "literair'.”

Jaap van den Ende: Uit het atelier. Een stellingname. Uitg. HCAK (aldaar te koop), 88 blz. Prijs ƒ 15,-.

In 1988 schilderde Jaap van den Ende, 44 jaar oud, een rivierlandschap. De Delftse schilder legde een gebied vast dat hij vrij goed kende. Hij gaf les op de Rotterdamse academie. Een paar van zijn studenten woonde in Dordrecht. Tussen zijn afspraken door wandelde hij door de stad. Hij vond een kade met ruim uitzicht op de rivier de Merwede en de er achterliggende landerijen. Van den Ende nam zijn schetsboek mee naar de kade en tekende. In zijn atelier in Delft werkte hij de schetsen uit. “Maar ik schilderde ook wat ik me herinnerde”, zegt de schilder nu. Een zonovergoten flard, stille nevel boven het water, de diepte - lichtgroen op donkergroen. Het schilderij is geen momentopname. “Ik probeerde alles wat ik aan de kade gezien had en waar dat mijn gedachten heen had gebracht, in één compositie samen te vatten.”

Toen Van den Ende aan zijn rivierlandschap begon, was hij bang. Twintig jaar lang had hij de zichtbare werkelijkheid niet tot zijn schilderijen toegelaten. Hij schilderde balken en rechthoeken volgens een van te voren bepaald patroon. “Het was geen saai werk”, zegt Van den Ende. “Toen ik eraan begon was het een bevrijding. Ik had anderhalf jaar niet geschilderd omdat ik het weergeven van de werkelijkheid te vrijblijvend vond. In 1967 maakte ik kennis met Zero, met de reliëfs van Jan Schoonhoven en Jan Henderikse. Vooral de door Henderikse met regelmatige rijen centen beplakte doeken bevielen me. Ik wilde niet meer naar de natuur werken, maar àls de natuur. De rekenkundige structuren die ik ging gebruiken, waren gebaseerd op golfbewegingen, op groei, bloei en verval. Mijn systematische schilderijen werden voor mij samen één metafoor, een metafoor voor alles wat bestaat.”

Van den Ende was lang tevreden met zijn metafoor. Hij had succes. In 1983 exposeerde hij in het Stedelijk Museum in Amsterdam, in 1988 in het Gemeentelijk Van Reekummuseum in Apeldoorn. Maar het rivierlandschap liet hem niet los. Het bleef in zijn gedachten steeds terugkomen. Er zat niets anders op dan het te schilderen. Sindsdien kiest Van Den Ende zijn onderwerpen altijd zo. Elk schilderij begint met een beeld dat langer dan een paar maanden zijn geest blijft prikkelen. Sommige beelden dringen zich al decennia op. In Van den Endes werkruimte met uitzicht op de zijkant van de Nieuwe Kerk in Delft, hangt een schilderij waarvoor een foto het uitgangspunt was. “Het is de eerste foto die ik ken van mij en mijn moeder. Hij is vlak na de oorlog genomen. De foto ontroert me. De moeder kijkt naar haar kind. Ze kijkt aandachtig, maar ze verliest zichzelf niet, ze levert zich niet over aan haar zoon. Ze vraagt zich af of ze er wel blij mee moet zijn.”

“Ik probeer klassieke onderwerpen ernstig te nemen”, zegt Van den Ende. “Bij een moeder en kind ligt vals sentiment op de loer. Maar ik wil me er juist daarom niet met ironie van af maken. Ironie is een kwaal van de kunst van deze tijd.”

Van den Ende heeft het schilderij van moeder en kind vol gemaakt met een huis en flarden landschap. Het blijkt dat hij zijn systematische werkwijze niet heeft afgezworen. De voorstelling is bedekt met kruizen en bladeren, die, net als de balken en rechthoeken vroeger, volgens een vantevoren vastgesteld patroon over het doek verdeeld zijn. Op bijna elk schilderij maakt Van den Ende nog gebruik van structuren, al is de vorm waarin hij ze giet nu vaak aangepast aan het onderwerp van het schilderij, zoals hier de bladeren. Zij moeten aangeven dat de tijd verstrijkt. Daarom ziet Van den Ende uiteindelijk geen breuk tussen zijn werk van voor en na het rivierlandschap. “Ik wil over een onderwerp zoveel mogelijk vertellen. De structuren beschouw ik nu als een van de vele mogelijkheden daartoe.”

Stellingname

Jaap van den Ende houdt van zijn vak. Hij houdt van Bruce Nauman en Mark Rothko, van Fra Angelico en Max Beckmann, van Giorgio Morandi en Anselm Kiefer. “De schilderkunst is als geen andere techniek in staat het denken en voelen van mensen te verbeelden”, zegt hij. Maar met de hedendaagse kunst is volgens Van den Ende iets mis. Natuurlijk, hij houdt van Matt Mullican en Helmut Federle. Maar over het gros der jonge Nederlandse kunstenaars is hij niet te spreken, al is hij te beleefd om namen te noemen. Over zijn opvattingen publiceerde Van den Ende onlangs bij het Haags Centrum voor Aktuele Kunst een boekje, Uit het Atelier, Een Stellingname. De Delftse schilder blijkt niet te houden van kunst die de grenzen tussen kunst en gebruiksvoorwerp onderzoekt, niet van de meeste hedendaagse abstracte kunst en ook niet van de nieuwe figuratieve kunst. Over de eerste stroming zegt hij tegen mij: “Er wordt altijd beweerd dat de kunst na Duchamp nooit meer hetzelfde zou zijn. Maar voor veel kunst geldt dat ze sinds Duchamp hetzelfde is gebleven. Koons is niet meer dan een vulgarisering van Duchamp.”

Ook zijn bezwaar tegen de hedendaagse abstracte kunst is dat er alleen maar herhaald wordt. “De grondleggers van een stroming zijn vaak ook de sterkste vertegenwoordigers ervan. Als je ergens mee begint, ken je de normen van de perfectie nog niet. Daardoor houdt het werk iets ongepolijsts. Het blijft vitaal. De navolgers zijn niet meer zo vrij. Ze moeten hun eigen identiteit ten opzichte van hun voorgangers bepalen, ze mogen niet op hen lijken. Dat leidt tot zelfcensuur. Alleen echt groten trekken zich daar niets van aan. Picasso was wat dat betreft gelukkig een gewetenloze hond.”

Schilders hebben zich volgens Van den Ende in de twintigste eeuw voornamelijk bezig gehouden met de formele kenmerken van het schilderij. “Hoe vaak is er niet beweerd dat een schilderij een plat vlak is? Ook de schilders zijn vergeten hoeveel er kan, bij voorbeeld met het weergeven van ruimte. Je kunt het beeld dwingen zonder ooit aan technische grenzen te raken.”

De nieuwe figuratieve kunst vindt Van den Ende vaak reactionair. “Wat moet ik met een min of meer mollige vriendin of een besneeuwd bruggetje? Een groep als After Nature (die Van den Ende wel wil noemen omdat de leden zich vaak grof hebben uitgelaten over collega's, B.S.) heeft niets te melden. Ze gebruiken de figuratie alleen maar om zich tegen het modernisme af te zetten. Als bij voorbeeld Breitner een meisje schildert, voel je aandacht voor rondingen, voor huid, voor rust. Bij After Nature ging het alleen om uiterlijkheden.”

Van den Ende pleit voor een herwaardering van het onderwerp. “Goed schilderen is niet te vatten in een omschrijving van de kwaliteiten waar de techniek aan zou moeten voldoen. Als dat toch gebeurt ontstaan tijdgebonden normen die op onzuivere gronden werken accepteren of afwijzen. Om aan dergelijke normen te ontkomen is het noodzakelijk om de kwaliteit van het werk vanuit de inhoud vast te stellen”, schrijft hij in Uit het atelier. “Schilderen gaat nooit alleen over schilderen”, zegt hij in zijn kantoor. “Iets op zijn kop schilderen om afstand te nemen van het onderwerp, zoals Baselitz wilde, is flauwekul. Driekwart van de meesterwerken in de musea gaan ergens over, zijn "literair'. Toen Rembrandt de blindmaking van Simson schilderde, ontleende hij de compositie aan het verhaal. Wat is daar op tegen? Ik vind het prettig als mijn schilderijen worden "gelezen'. De afbeelding roept bij de kijker eigen herinneringen op.”

Naast het schilderij van de kleine Van den Ende en zijn moeder hangt in het kantoor een schilderij dat volgens de kunstenaar over eenzaamheid gaat. Een naakt paartje zit met gebogen hoofd op de rand van een bed, op een schilderij dat verder uit een overdadig groen en rood landschap lijkt te bestaan. De man en de vrouw hebben hun eenzaamheid willen bestrijden met seks. Maar het ziet er niet naar uit dat dit hen is gelukt. Ze buigen hun hoofden. Van den Ende: “Toen een vriend van mij dit schilderij bekeek, zei hij tevreden: "Ah Arcadië'. Maar even later schudde hij zijn hoofd. "Nee, de hel'.”

Breien

Een bijkomend voordeel van literaire schilderijen is dat zij de kunst weer voor veel mensen interessant kunnen maken. “Kunst is een soort spel geworden voor specialisten, voor kunsthistorici die alleen oog hebben voor de manier waarop een kunstenaar de kunstgeschiedenis voortzet. Hoeveel mensen hebben nu werkelijk interesse voor alleen de problemen van kleur en ordening? Dat levert niets op dat in de ervaringswereld van de meeste mensen enig belang heeft. Ik wil alles wat bij mijn ervaring van het mens zijn hoort, laten zien.”

Volgens Van den Ende hebben de meeste jonge kunstenaars niets te vertellen. Ze doen wat de kunshistorici van hen verwachten; ze breien braaf voort aan de kunstgeschiedenis. “Ik zeg tegen mijn studenten: probeer iets wezenlijks te registreren. Daarna merken we wel of het in de kunstgeschiedenis terecht komt. Er zijn zoveel nieuwe onderwerpen, en zoveel oude onderwerpen met een nieuwe lading. In de romantiek schilderde Caspar David Friedrich de eenzaamheid van de mens tegenover god. Ik schilder de eenzaamheid van de mens tussen de andere mensen.”

De hedendaagse kunst heeft niets te vertellen omdat ze geen ideaal meer heeft, denkt Van den Ende. “Het modernisme paste bij een bepaald maatschappelijk ideaal. Het ideaal van de twintigste eeuw was vrijheid. De kunstenaar maakte dat ideaal spiritueel ervaarbaar. Maar vrijheid is niet meer het ideaal dat de huidige maatschappij kan dragen. Vrijheid blijft van waarde, maar het kan niet meer de motor van de samenleving zijn.”

Volgens de schilder is het nieuwe ideaal verantwoordelijkheid. In zijn boekje noemt hij dit een revolutionair beginsel. In ons gesprek heeft hij het over betrokkenheid, respect, begrip, menselijkheid. Hij verontschuldigt zich voor de clichés en brengt vervolgens het milieu ter sprake. “Het gaat erom dat iedereen beseft wat de consequenties van zijn daden zijn.”

Hoe het nieuwe ideaal door andere schilders verbeeld moet worden, weet Van den Ende nog niet. Zijn eigen werk probeert hij wel op het revolutionaire beginsel te baseren. Toch heeft hij in Uit het atelier voor zijn eigen schilderijen maar 18 van de 88 pagina's ingeruimd. Als hij zijn schilderijen aan mij laat zien, de moeder en kind en de eenzaamheid in zijn kantoor, de bruggen van Rotterdam, auto's in de nacht en twee portretten van componisten in zijn atelier aan een Delftse gracht, legt Van den Ende meer uit. Hij probeert alles op een schilderij even belangrijk te maken. Er mag geen hiërarchie zijn, zelfs niet in de blikrichting. Een schilderij van Jaap van den Ende heeft geen centrum, je mag er vrij rond kijken. “Wij zijn eraan gewend dingen ondergeschikt te maken. Alles lijkt tegenwoordig alleen maar te bestaan om je eigen wensen te kunnen realiseren. Maar besef dat alle mensen en alle dingen een eigen ik hebben, een eigen wonder in zich dragen. Op mijn schilderijen probeer ik niets te laten overheersen.”