Huis van het volk

Nog niemand weet wat ermee moet gebeuren. Het Casa Poporului van Ceausescu is te groot om te slopen en te duur om te behoorlijk te onderhouden. Een idealist heeft voorgesteld er een museum tegen de dictatuur van te maken. Zo is er na de Eerste Wereldoorlog een museum tegen de oorlog geweest en iedereen weet wat daarmee is gebeurd en hoe het heeft geholpen. De Russen hebben een museum tegen de godsdienst gehad. Intussen neemt het kerkbezoek in Moskou weer toe en de priesters van de vrije markt kunnen met hun zelfgemaakte godsdiensten het werk niet aan.

Een museum dat tegen het een of ander is gericht helpt niet. Voor je het weet is het in zijn tegendeel veranderd, en zo zou ook een museum tegen de dictatuur de bezoekers maar op verkeerde gedachten brengen. Van Nero tot Castro, de 120 dagen van Sodom in de politiek, de gruwelkamers van Disneyland. Het geweldige plein voor dit Volkshuis zou te klein zijn om alle bussen met toeristen te laten parkeren. De beste oplossing lijkt me, er een tribune te bouwen, alle dictators ter wereld uit te nodigen en ook degenen die het nog willen worden, het op te blazen en de brokstukken als souvenir te verkopen zoals dat ook met de Berlijnse Muur is gedaan.

Mijn nietige, vergankelijke gestalte met kiektoestel bevindt zich op deze late zomeravond eenzaam tegenover de kolos die bovendien nog op een heuveltje staat. Een ongelijke strijd die ik trouwens niet hoef te voeren want de bedenker is al aan zijn grootheidswaan ten onder gegaan. Ik probeer me te verplaatsen in het brein dat het heeft verzonnen; niet alleen dit uit zijn krachten gegroeide paleis, maar de hele buurt, een district van een stad waar tienduizenden mensen hebben gewoond. Een kaalslag zonder weerga; het cultureel Tsjernobyl is het genoemd. Brede boulevards, enorme woonblokken in een stijl die aan Bofil doet denken, een geweldig geheel in het laatste stadium van constructie. In de directe omgeving van het Volkshuis is het meeste onbewoond, ruiten zijn stukgeslagen, het inwendige vervuild. Aan de achterkant staan verlaten ijzeren bouwketen te roesten; de hoge constructiekranen zijn strakke pentekeningen tegen de avondhemel.

Stel je deze historische gebeurtenis eens voor: bijna drie jaar geleden, op een decembermiddag, heeft daar de laatste kraandrijver voor het laatst de deur van zijn cabine achter zich dicht gedaan, is naar beneden geklommen en toen is de heerschappij van koning Roest begonnen. Op de binnenplaats word ik begroet door en manke hond.

Wat heeft zich in het brein van de Conducator afgespeeld? Alle politici die zichzelf voor grote mannen verslijten, willen bouwen. Vaak is het resultaat het aanzien waard. Wat zou de westerse beschaving zijn, per slot van rekening, zonder de Akropolis, het Colosseum, de tuinen van Versailles, de kastelen aan de Loire en het Centre Pompidou. Wat zou Amsterdam zijn zonder het Paleis op de Dam, dat trouwens het gemeentehuis is geweest en ook met die bedoeling door de zelfbewuste burgerij is gebouwd? Het is ons Volkshuis, bij wijze van spreken. Om iets groots te kunnen bouwen moet men niet aan zelfonderschatting lijden. Maar wat Ceausescu heeft gedaan kunnen we geen architectuur meer noemen; het is een in beton gestorte uitbarsting van bouwdrift die we in miniatuur aantreffen bij kinderen met een blokkendoos. Ik stel me hem voor, met zijn Elena, zittend op de grond, steeds hoger bouwend, een nog groter stuk van de vloer annexerend, meegevoerd in een gigantisch infantilisme, tot schuimbekkens toe. Zoekend naar bewoners voor zijn egopolis deporteert hij tenslotte de bevolking van een mierennest.

Ik neem aan dat in de westelijke beschaving dergelijke gemankeerde bouwmeester-dictators niet te tellen zijn. Het verschil tussen deze dames en heren en Nicolae en Elena is dat dit begenadigd echtpaar, als het een aantal blokken op elkaar had gezet, de architecten riep en zei: “Zo moet het ongeveer worden”, op de kaart van Boekarest aanwees waar het moest staan en dan gebeurde het zo.

Dictators, of ze nu meer of minder als bouwmeester zijn geslaagd, delen één eigenschap: ze zijn geen vrienden van de mens, en als het zo uitkomt ook niet van dier en plant. In het district van de kaalslag stroomde een aardig riviertje. Het is nu een kanaal met grijze betonoevers. Al het groen is genadeloos verwijderd; vervangen door een plichtmatig gelid van dunne boompjes. Er wordt beweerd dat Ceausescu zelfs de gevangenen in hun cel geen plantje gunde en de wingerd van de binnenplaats heeft laten rooien.

Op de plaats van het Volkshuis stond vroeger een kerkje. Dat is er nog. Het staat vrijwel onzichtbaar ingebouwd achter en tussen vier woonblokken. De Conducator heeft het gebouwtje in zijn geheel over een speciaal aangelegde baan laten verrollen, de aanwezigheid van het godshuis verdoezeld, maar het niet gesloopt. Misschien heeft hij er toch rekening mee gehouden dat er een hemel bestond waar hij vriendelijk ontvangen zou worden. Zijn verzekering voor het hiernamaals.