Hugo Pos: Van het een. Uitg. In de Knipscheer, ...

Hugo Pos: Van het een. Uitg. In de Knipscheer, 102 blz. Prijs ƒ 22,90.

Marjan Berk: Traangas. Uitg. Atlas, 135 blz. Prijs ƒ 24,90

Maarten Asscher: Dodeneiland. Uitg. Contact, 104 blz. Prijs ƒ 22,90

Ronald Giphart: Ik ook van jou. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 181 blz. Prijs ƒ 29,50

Allard Schröder: De muziek van zwarte toetsen. Uitg. Amber, 199 blz. Prijs ƒ 32,50

Hugo Pos is een merkwaardige verschijning in de Nederlandse literatuur. Hij was maar liefst tweeënzeventig toen hij in 1985 debuteerde met de verhalenbundel Het doosje van Toeti, die meteen buitengewoon gunstig werd ontvangen. Nu is hij bijna tachtig en onlangs is zijn vijfde bundel verhalen uitgekomen. Pos stamt uit een familie die van ouder op ouder in Suriname heeft gewoond en is zelf rechter in Paramaribo geweest. De nieuwe verhalen hebben allemaal te maken met zijn Surinaamse achtergrond en werkkring en het valt daarbij op dat de voormalige rechter zich een paar maal de rol van aangeklaagde en schuldige geeft. Ook het verhaal over zijn vader, net als hijzelf rechter in Paramaribo, heeft het karakter van een schuldbekentenis. De zoon begrijpt maar niet waarom de vader steeds een barrière tussen hen opwerpt tot hij inziet dat hij zelf degene is die dat doet. Pos houdt van dergelijke verrassingen en het is jammer dat ze in dit boek wel eens voorspelbaar zijn waardoor de spanning van vroegere verhalen uitblijft. Alleen het laatste verhaal, over de dood van een moordenaar, heeft nog de kracht van het oudere werk. Heel mooi weet Pos hier met drie verschillende visies de interpretatiemogelijkheden van wat er is gebeurd, uit te buiten, en tegelijk, tussen de kieren van de verwesterde maatschappij door, iets van het autochtone leven te laten zien.

Hugo Pos: Van het een. Uitg. In de Knipscheer, 102 blz. Prijs ƒ 22,90.

Een luchtige toon is altijd het kenmerk van Marjan Berks schrijven geweest, ook al schreef ze over onvrolijke onderwerpen als depressieve vrouwen of het neo-nazisme. Ook heeft ze altijd, net als Pos, van verrassende wendingen gehouden, zo verrassend soms dat in romans als De zelfvergrootster en De kracht van de liefde of Hallo, daar ben ik weer! het woord ontsporing beter op zijn plaats was. In een kort verhaal - en de verhalen in haar nieuwe bundel zijn heel kort - is minder ruimte om zo spectaculair uit de rails te vliegen. Een verrassing is hier nog een verrassing en die kan leuk zijn of flauw. Heel geslaagd is de verrassing die de toneelspeler in "Een dame van stand' bereid wordt bij de eerste en laatste glansrol van zijn leven. In een ander verhaal, "Open ogen', is de verrassing niet meer dan een slordig verpakte surprise. Grappig is wel weer het verhaal van de skileraar die zich wonderwel thuisvoelt tussen de jonge meisjes en onverwacht door de moeder van een van hen wordt verleid.

De vrouwen die Marjan Berk beschrijft zijn over het algemeen treurige wezens, weerloos en zonder initiatief, behalve Julia dan uit "Vroege sneeuw' die de skileraar onder handen neemt. De luchtige toon is in deze bundel bezig te ontaarden in een soort spreektalig populisme dat meer aan de verhalen afdoet dan toevoegt.

Marjan Berk: Traangas. Uitg. Atlas, 135 blz. Prijs ƒ 24,90

Eilanden lijken een onweerstaanbare aantrekkingskracht op Maarten Asscher uit te oefenen. Drie van de vier verhalen in zijn bundel spelen op eilanden, waarvan er twee ook voor een ander te bereiken zijn en het derde alleen in de verbeelding bestaat. Het "dodeneiland' uit de titel is Zakyntos, dat niet ver van Korfoe en Ithaca ligt en dat die naam krijgt omdat er drie "dode' dichters vandaan komen: Ugo Foscolo, Andreas Kalvos en Dionysios Solomós. Over het Kanaaleilandje Inkhou is eigenlijk meer te vertellen. Kort voor de Eerste Wereldoorlog is de enige bewoner, de vuurtorenwachter, plotseling spoorloos verdwenen, waarschijnlijk in gezelschap van een jong meisje dat overgevaren was van Sark. Als een onvervalste speurder probeert Asscher het geval te reconstrueren, maar duister blijft het. Dat is niet erg want voor de lezer gaat het bij zo'n detectiveverhaal toch eerder om het spel dan om de knikkers. Ook bij zijn onderzoek naar "het rusteloze graf' van Oscar Wilde gaat Asscher te werk als een literaire speurder die zich een weg baant door alle laster en leugens heen. Niet alles wat hij ontdekt is nieuw maar het levert wel een onderhoudend verhaal op. De bundel wordt besloten met een mystificatie, een verhaal over een fictief eiland met een buitengewoon geleerde bibliotheek. Het verhaal is aardig opgezet maar wordt helaas al gauw doorzichtig.

Maarten Asscher: Dodeneiland. Uitg. Contact, 104 blz. Prijs ƒ 22,90

Het is niet eenvoudig om het debuut van Ronald Giphart met een of twee woorden te karakteriseren. Als het toch met één woord zou moeten, zou ik het studentikoos noemen. Als het er wat meer mogen zijn, komen de volgende in aanmerking: grappig, oneerbiedig, spottend, watervlug, flauw, baldadig, heel flauw, heel grappig, oubollig, spannend, melig, roerend, plat, spits. Bij elke bladzijde passen wel een of meer van die adjectieven, zo vaak wisselt Giphart van stemming en stijl. De hoofdfiguren zijn twee totaal verliteratuurde jongens, Ronald en Fräser, die niets doen dan schelden op de literatuur maar wel graag zelf willen schrijven. Ze rijden naar de Dordogne op zoek naar seks en letteren. Heel romantisch vinden ze daar twee meisjes die op maat geknipt lijken voor hen. De jongens hebben allebei thuis een grote liefde achtergelaten en Fräser kan zich daardoor niet helemaal ontplooien. Voor Ronald ligt het anders omdat het met Reza toch eigenlijk niet langer ging, hoe hevig het ook was geweest. Hij vertelt daar uitvoerig van want hij wil aan Reza wel een boek overhouden. Het relaas van de nieuwe liefde wordt dan tegelijk het verhaal over Reza. Die opzet is misschien niet erg origineel maar Giphart is wel bijzonder handig in het vervlechten van de twee verhalen. Verder is het een boek waarin de lezer onafgebroken gebombardeerd wordt met citaten, verkeerde citaten, parodieën en woordspelingen, een soort vrolijke literaire overkill. Eerlijk gezegd is het boek een verademing na alle debuten over jongensleed en relatieproblemen.

Ronald Giphart: Ik ook van jou. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 181 blz. Prijs ƒ 29,50

Zo baldadig als de roman van Giphart is, zo ernstig is het boek van Allard Schröder. Het is een poging om het geheel van een leven te overzien en te interpreteren, waarbij een bezoek aan de tandarts als uitgangspunt fungeert. De patiënt en hoofdfiguur is een schrijver, Robert Corbeau, die zijn associaties met de geur en smaak van bloed en formaldehyde gaat opschrijven en analyseren. Hij begint in 1944, toen hij twaalf jaar oud was. Er kwam een Duits vliegtuig naar beneden en met andere kinderen uit de buurt bewaakte hij de gewonde vliegenier tot hij stierf. Bij het opschrijven laat Corbeau zich verleiden tot allerlei parallellen en uitweidingen die het verhaal uitermate gecompliceerd maken. Kunstig is het wel maar gekunsteld ook. Het begint al met het contrast tussen de witte en zwarte toetsen - de ene maken mooie muziek, de andere maken die kapot - en de parallellie van witte tanden die zwarte stompjes worden. Dan loopt er een verbindingsdraad van de gewonde vliegenier naar de vliegende Peter Pan, en van het dagboek van Corbeaus betovergrootvader in Batavia naar merkwaardig gelijke gebeurtenissen in zijn eigen leven. Al die onderling verbonden motieven zijn eenvoudig teveel van het goede. Had Schröder zich maar beperkt tot de oorlogsbelevenissen van Corbeau, dan was er een korte maar boeiende roman overgebleven. Hij moet zoiets gevoeld hebben want het boek besluit met brieven van Corbeau aan zijn uitgever waarin hij dit soort kritiek vantevoren onschadelijk probeert te maken. Na de Max Havelaar kan dat eigenlijk niet meer.

Allard Schröder: De muziek van zwarte toetsen. Uitg. Amber, 199 blz. Prijs ƒ 32,50