Het schaap is een wreed beest; De bizarre wereld van een Pools-Franse schrijver uit de 18e eeuw.

Tientallen schrijvers hebben Manuscrit trouvé à Saragosse geplunderd. Maar het volledige oorspronkelijke werk, een decamerone-achtige raamvertelling van de 18de-eeuwse Pools-Franse schrijver Jean Potocki, bleef ongepubliceerd en raakte in de vorige eeuw zelfs zoek. Pas in 1989 bracht de Zwitserse geleerde René Radrizzani na nauwgezet speurwerk alle verspreide fragmenten bijeen. Onlangs verschenen ze in een Nederlandse vertaling. “Het boek is een van de meest zonderlinge boeken ter wereld en zo fascinerend dat je het ook nog zou lezen als het terugvertaald was uit het Patagonisch.”

Jean Potocki: “Tussen zijn geboorte in 1761 en zijn zelfmoord in 1815 leefde deze Poolse aristocraat het leven van een avonturier, een erudiet en een revolutionair. Hij was soldaat, diplomaat, natuurkundige, geograaf, etnoloog, linguïst, historicus, wereldreiziger, hervormer en ballonvaarder. Hij was een discipel van Diderot, Holbach, La Mettrie, Helvetius; hij schreef een Handleiding voor franc-tireurs die hij drukt op zijn eigen drukpers en hij ontwerpt zelfs een franc-tireurs uniform. Aan de andere kant wordt hij ook lid van de alleen voor aristocraten toegankelijke Poolse Landdag; een van de verordeningen die op zijn initiatief tot stand komt is het verplichte onderwijs van Oosterse geschiedenis op de lagere scholen. Hij neemt deel aan het Russische gezantschap naar de Keizer van China (1805) en schrijft na afloop een verhandeling waarin hij het falen van die onderneming toeschrijft aan een tekort aan etnologische kennis... Hij bevecht Barbarijse zeerovers op een schip van de Ridders van Malta, hij maakt de bezetting van Nederland mee als de Pruisische troepen de belediging van Goejanverwellesluis komen wreken, hij bevindt zich in Tanger wanneer deze stad gebombardeerd wordt door de Spaanse vloot. Hij maakt een van de eerste ballonvaarten (in 1788, vijf jaar na de eerste Montgolfière). Hij vijlt de zilveren knop van zijn moeders theepot af, laadt er zijn pistool mee en schiet zich door het hoofd.”

“Maar als Potocki ergens bekend om is, dan is het om het wonderbaarlijke Manuscrit trouvé à Saragosse, een decamerone-achtig boek, geschreven, zoals Potocki's gehele oeuvre, in het Frans, nooit voltooid en in de eerste helft van de 19e eeuw zoekgeraakt. Een van de vijf of zes manuscripten die in 1829 bekend waren werd zelfs met kennelijke opzet verdonkeremaand door een nu vergeten Franse schrijver (Charles Nodier, 1780-1844)) die een gedeelte ervan als eigen werk publiceerde. Weinig geschriften zijn ooit zo geplunderd als Manuscrit trouvé à Saragosse: binnen en buiten Frankrijk hebben tientallen schrijvers, waaronder zelfs tamelijk bekende (bijvoorbeeld Washington Irving) er uit gepietheind wat van hun gading was, terwijl het volledige oorspronkelijke werk ongepubliceerd bleef.”

Dit schreef ik in 1969 als inleiding bij een beschouwing over Potocki¹ en ik neem de vrijheid het hier te citeren bij de verschijning van de volledige tekst in Nederlandse vertaling². De editie waar ik destijds over schreef was die van Roger Caillois, die bestond uit de in het oorspronkelijke Frans gepubliceerde fragmenten en voor de rest uit een in het Frans terugvertaalde Poolse vertaling van Edmund Chojecki uit 1847³. Maar de hoop om een van de oorspronkelijke Franse manuscripten terug te vinden was nog niet opgegeven en in 1989 is dat blijkbaar gebeurd; in de huidige Nederlandse staat vermeld: “De onderhavige vertaling is gebaseerd op de eerste volledige editie van de oorspronkelijke Franse tekst, zoals die in 1989 is teruggevonden door de Zwitserse geleerde René Radrizzani.” Maar in de flaptekst staat dat "de Zwitserse geleerde René Radrizzani na jarenlang speurwerk en nauwgezet onderzoek in tientallen bibliotheken en bij verre nazaten van Potocki alle verspreide fragmenten bijeenbracht,' hetgeen niet helemaal hetzelfde is.

Maar wat de Zwitserse geleerde René Radrizzani nu ook precies gedaan heeft, Manuscrit trouvé à Saragosse is een van de meest zonderlinge boeken ter wereld en zo fascinerend dat je het ook nog zou lezen als het terugvertaald was uit het Patagonisch. Het boek bestaat uit een groot aantal vertellingen, begoochelend als de Duizend-en-één-nacht, die in een bestek van zesenzestig dagen worden verteld door dozijnen personages. Al deze verhalen (en personages) staan met elkaar in een onderling verband dat pas op den duur aan het licht komt; de structuur is zo ingewikkeld dat er geen hoop op is er in kort bestek een idee van te geven, maar er is (behalve een aandoenlijke, aan De Sade herinnerende verzotheid op het drinken van chocola) wel een steeds terugkerend patroon: iemand komt onder bizarre omstandigheden terecht in een paradijsachtige situatie, niet in de laatste plaats op erotisch gebied, en dan komt een aanvankelijk onbeduidend lijkend personage roet in het eten gooien; de hemelse geneugten blijken illusies en inblazingen van het kwaad te zijn, hetgeen in het licht van de patente onschuld van degene die het overkomt des te merkwaardiger is: niet hijzelf is slecht, maar de wereld waarin hij zich tegen wil en dank bevindt; toch moet hij ervoor boeten en wrede kwellingen ondergaan.

De sleutel tot dat alles is in zekere zin het geloof, maar dan wel binnenstebuiten gekeerd op een manier die er het arbitraire en zinloze van doet uitkomen; wat daar ook toe bijdraagt is dezelfde gebeurtenissen door verschillende personages verschillend beschreven en geïnterpreteerd te zien: wat voor de een slecht is, is voor de ander goed of neutraal, zoals door Potocki samengevat in de parabel van de kleine insecten, die op grassprieten leven, voor wie de tijger het aardigste dier is dat er bestaat, "nooit doet het ons kwaad'. Het schaap daarentegen is een wreed beest dat hen al gras etend verslindt.

Slechtheid

In moderne termen zou je kunnen zeggen dat Potocki probeert om wat werkelijk goed en slecht is te onderscheiden van subjectieve gevoelens van schuld en onschuld, iets waar hij, als produkt van zijn tijd en zijn opvoeding, maar gedeeltelijk in slaagt. Een merkwaardig detail is bijvoorbeeld dat hij zijn personages soms wellustopwekkende bonbons laat eten voor zij zich overgeven aan erotische uitspattingen. Dan is het immers hun schuld niet; je voelt de spanning, de nieuwsgierigheid bijna, waarmee hij zeer jonge meisjes zulke bonbons laat eten en dan hun gedrag observeert. Doen zij wat zij dan doen in onschuld of uit slechtheid?

Het personage in het boek dat de schrijver vermoedelijk het meest nabij komt is Diego Hervas, de geleerde voor wie kennis het hoogste goed is, hetgeen hem duur te staan komt. Eerst schrijft hij een wiskundige verhandeling over de analyse; hij laat er met zijn laatste geld duizend exemplaren van drukken, waarvan er na zes weken nog niet één is verkocht. Dan denkt een minister, wiens naam toevallig een anagram is van het woord analyse, in zijn grenzeloze domheid en eigenwaan dat het boek een persiflage op hem is en laat het verbranden. In het voorbijgaan kan men zich nog verbazen over het feit dat Potocki die verhandeling laat berusten op "kennis van oneindigheden in elke grootte': je denkt onwillekeurig aan Cantor, maar die leefde een eeuw later.

Vervolgens onderneemt Hervas de titanische onderneming om alle wetenschappelijke kennis van zijn tijd te beschrijven in honderd delen in octavo. Hij doet er vijftien jaar over, neemt dan een poosje vakantie en komt bij zijn terugkeer tot de ontdekking dat zijn levenswerk door de ratten is opgegeten. Hij ziet een rat de laatste bladzijden meeslepen, probeert dat te beletten en stoot ongenadig zijn hoofd tegen de muur. Daarna wordt hij ziek. Nadat de artsen hem al hebben opgegeven, wordt zijn leven gered door de dochter van een schoenmaker - een detail dat weer veel later een rol gaat spelen. Hij trouwt haar en krijgt een zoon (in het boek is dat de verteller van het verhaal), en besteedt nog eens twaalf jaar aan het reconstrueren en herschrijven van zijn honderd boekdelen; wanneer hij er mee bij de uitgever komt, zegt deze dat hij het werk alleen kan uitgeven op voorwaarde dat hij het terugbrengt tot vijfentwintig delen.

Dat is uiteraard onmogelijk. “ "Laat mij,' antwoordde Hervas hem ten diepste verontwaardigd, "laat mij; keer terug naar uw winkel en druk de romantische of betweterige onzin die Spanje te schande maakt... ik heb niets meer van de mensen nodig en nog minder van boekhandelaren.' ” Hij vervalt in neurasthenie en pleegt zelfmoord.

Oerzuur

Allerlei details heb ik hierbij buiten beschouwing gelaten, zoals het feit dat de ratten de meeste bladzijden voor de helft in lengterichting hadden verorberd, zodat hij het werk moest reconstrueren uit een kist met halve bladzijden waarvan de volgorde verloren is gegaan. Ook is er een passage waarin wordt beschreven hoe er chemische reacties kunnen plaatsvinden onder inwerking van de bliksem; dat is al niet gek voor een tekst uit 1805, maar deze passage wordt gevolgd door een zin over een "oer-zuur' dat "oneindig gevarieerd, onveranderlijk dezelfde vormen kan reproduceren', waar men met wat goede wil en the wisdom of hindsight een profetische beschrijving van de vorming van aminozuren en de eigenschappen van DNA in kan zien.

Maar vooral: deze hele episode beslaat niet meer dan enkele bladzijden in het boek, dat er meer dan vijfhonderd telt: het is maar het topje van de ijsberg, nee, een scherfje van het topje van de ijsberg. In het nawoord van de Zwitserse geleerde René Radrizzani wordt het Manuscript gevonden te Zaragoza een onderdeel genoemd van een traditie van grote satirische romans, lopend van Don Quichot en Gulliver tot Der Mann ohne Eigenschaften. Maarten 't Hart heeft eens beweerd dat dit laatste werk een onzinboek is, omdat bijna niemand er verder in komt dan bladzijde 40. Nu geloof ik dat Maarten hier het slachtoffer is van een tragisch misverstand, maar één ding is zeker en dat is dat wie in Manuscript gevonden te Zaragoza tot bladzijde 40 komt, geen rust meer heeft tot hij ze alle 505 heeft gelezen.

(1) Anathema's I, 1969, blz. 44-46

(2) Jan Potocki Manuscript gevonden te Zaragoza, eerste volledige editie, naar de oorspronkelijke manuscripten samengesteld en voorzien van een nawoord door René Radrizzani. Vertaald door Jan Versteeg. Wereldbibliotheek, Amsterdam 1992.

(3) Jean Potocki, Manuscrit trouvé à Saragosse, bezorgd en ingeleid door Roger Caillois, Gallimard, Amsterdam 1958.

PS: De Nederlandse uitgave is nogal slordig. Zinnen als 'de zware pakken waarop zijn huidige roem en toekomstige onsterfelijkheid op steunden' zouden de correctie niet mogen passeren, om maar te zwijgen van een passage in het nawoord die per ongeluk cursief is afgedrukt.

Maar daar woont ook het stekelkind,