Georg Christoph Lichtenberg en het heldere verstand; De aardigste professor va Duitsland

De geur van een pannekoek vond Georg Christoph Lichtenberg een sterker argument om te blijven leven dan de redenen van Goethes Werther om zich van kant te maken. Lichtenberg was van 1770 tot 1799 hoogleraar in de fysica in Göttingen. Hij was beroemd om zijn wetenschappelijke geschriften. Pas na zijn dood verschenen de aforismen en notities die hij bijhield als prikkel om extra oplettend door het leven te gaan. Lichtenberg werd 250 jaar bij Darmstadt geboren, wat daar gevierd wordt met een expositie, lezingen en congressen. “Wat Lichtenberg eigenlijk wilde was denken als een Duitser en schrijven als een Engelsman.”

Georg Christoph Lichtenberg 1742-1799. Wagnis der Aufklärung. Tentoonstelling op de Mathildenhöhe in Darmstadt. T/m 29 augustus. Daarna, van 18 oktober tot 18 december in het Niedersächsische Staats-und Universitätsbibliothek Göttingen. De mooie, uitvoerige catalogus (Carl Hanser Verlag, 435 blz.) kost ƒ 89,10.

Een onuitroeibare karikatuur: de professor. Per definitie verstrooid, wereldvreemd, de neus in de boeken of onverstaanbaar orerend voor een duttende collegezaal. Nog erger: de Duitse professor. Hij bouwt wereldsystemen, orakelt in metafysische taal en duldt geen tegenspraak. Haarscherp is dit professorenbeeld vastgelegd door de negentiende-eeuwse Duitse schilder Carl Spitzweg, een specialist in zonderlingen. In onze eeuw duikt hij regelmatig op in films (professor Unrat), bij voorkeur Engels met een Duits accent sprekend en we komen hem tot vandaag tegen in de gestalte van professor Prlwytkofsky, hoogleraar te Rommeldam. Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799), van 1770 tot zijn dood hoogleraar in de wiskunde en fysica te Göttingen, beantwoordt hoogstens uiterlijk aan dit beeld. Hij was tamelijk klein, had een bochel en dunne beentjes. Het bekendste portret, een pentekeningetje, toont hem zo. Daarmee houdt elke vergelijking met de karikatuur op. Lichtenberg was het tegendeel van de systeembouwer. Hij heeft nooit gewerkt aan wat zo denderend door een Duitse kenner is genoemd een "Weltanschauungssystem mit Totalanspruch'. Lichtenberg was dan ook een bewonderaar van Engeland, van de Engelse satirische schrijvers en van het common sense-denken. Hij bewonderde het vermogen van de Engelsen om zaken op een duidelijke manier uit te leggen, zonder dat de specialist het kindertaal vindt of de leek afhaakt. Na zijn eerste reis naar Engeland schreef hij "ik ben eigenlijk naar Engeland gereisd om Duits te leren schrijven' en ergens anders merkte hij op wat hij eigenlijk wil: denken als een Duitser, schrijven als een Engelsman. Het is geen wonder dat twee latere Duitstalige meesters van de trefzekere pen hem zo bewonderden: Karl Kraus en Kurt Tucholsky. In Nederland verscheen in 1987 bij Van Oorschot een keuze uit zijn kladboeken door Adriaan Morriën en Henk Mulder onder de titel Donderslagen op muziek, die nog steeds verkrijgbaar is.

Kladboeken

Lichtenberg werd 250 jaar geleden geboren in het Hessische dorpje Ober-Ramstadt, als zoon van een dominee. In het nabijgelegen Darmstadt, de residentie van de landgraaf van Hessen-Darmstadt, ging hij naar de lagere school. In deze stad wordt dan ook nu deze beroemde zoon herdacht met een omvangrijke tentoonstelling, met lezingen, demonstraties van zijn proeven en met congressen. Die tentoonstelling begint met de portretten van Lichtenberg die bewaard zijn gebleven en met een uitstalling van de geschriften waarmee hij postuum beroemd is geworden: de zogenaamde Sudelbücher. Want Lichtenberg mocht dan in zijn tijd internationaal vermaard zijn geweest door zijn experimenten en zijn wetenschappelijke en polemische geschriften, hij leeft nu voort door wat in de regel, maar niet helemaal exact, zijn "aforismen' worden genoemd. Vanaf zijn 27ste jaar schreef Lichtenberg invallen, observaties en commentaren in zijn notitieschriften. Het zijn dus niet louter aforismen; deze schriften houden het midden tussen een onregelmatig dagboek en een aantekenboekje. Zelf gaf hij er de naam Sudelbuch aan, of Klitterbuch, of Schmierbuch, wat zoiets is als kladboek. Vijftien daarvan zijn bewaard gebleven. Op de tentoonstelling liggen ze in een tempelachtige rotonde als relieken voor de Lichtenbergliefhebber.

Deze aantekeningen, in een klein, vrij regelmatig handschrift, heeft Lichtenberg nooit voor publikatie bedoeld. Hij hield ze bij als een persoonlijk logboek en als prikkel om extra oplettend door het leven te gaan. In de negentiende eeuw zijn er wat fragmenten gepubliceerd, maar het echte werk begon pas in het begin van de twintigste eeuw. Toen verschenen de als "voortreffelijk' gekenschetste uitgaven van A. Leitzmann. Voortreffelijk waren ze voor die tijd inderdaad, maar er kleven aan die editie twee bezwaren. In Leitzmanns tijd was er veel minder tekst boven water gekomen dan nu, en bovendien kuiste hij Lichtenberg. Toch is deze uitgave onze hele eeuw door de basis gebleven voor alle populaire Lichtenberg-uitgaven en uitgaafjes. Van de bescheiden Reclam-deeltjes tot de in bloemetjeskaft gestoken cadeauboekjes. Ook de pocketeditie van Insel Verlag uit 1983 onder de titel Schrifte und Briefe, een bloemlezing, nu goedkoop in vier deeltjes herdrukt, gaat hier grotendeels op terug. Voor het werkelijk grondige werk moet men zijn bij de eveneens Schrifte und Briefe genaamde uitgave van Hanser Verlag, waarvan dit jaar het laatste van zes delen dundruk is uitgekomen. Lichtenbergs brieven zijn bovendien apart nog verschenen bij C.H. Beck; het vierde deel deze maand, al moet men voor het afsluitende indexdeel nog wachten tot 1994. Wie dan nog niet verzadigd is kan terecht bij deelstudies, die in dit herdenkingsjaar in overvloed verschijnen.

Verlichting

Waarop berust de populariteit van Lichtenberg, of liever gezegd die van zijn aforismen, om ze zo maar te noemen? Het is de precieze laconieke stijl, waarin hij zijn observaties kleedt. Zijn onafhankelijke positie tussen Verlichting en romantiek. Zijn relativerende blik, die ongetwijfeld versterkt is door zijn astronomische observaties, waarvan hij zelf zei: "de astronomie is waarschijnlijk de wetenschap waarin het minste door toeval is ontdekt, waar het menselijke verstand in zijn gehele grootsheid verschijnt en waarin de mens het beste kan leren hoe klein hij is'. Ook zijn wantrouwen jegens charlatanerie en gewichtigdoenerij en het geloof in een heldere ondubbelzinnige wijze van uitdrukken zijn verfrissend. En tegelijk: een grote menselijkheid. Hij is geen technocraat, geen rationalist ad absurdum.

Lichtenberg was ontegenzeggelijk een produkt van de Verlichting. Hij geloofde in de heilzame werking van het verstand, in ieder geval binnen zijn vakgebied. De waarneming, het experiment, de systematiek, dat waren de peilers waarop de wetenschap gegrondvest moest zijn. Alles wat daar niet op rustte verwees hij naar het rijk der dromen. Wie zich daar als onderzoeker niet aan hield, kon wat hem betreft beter inpakken en dat liet hij merken ook. Te gemakkelijk werden er wereldsystemen bedacht, ook in de natuurwetenschappen. De "edele eenvoud in de werken der natuur' konden wel eens hun grond hebben in de "edele kortzichtigheid' van hen die de natuur waarnamen. Over zijn leermeester en buurman Christian Wilhelm Büttner, hoogleraar in de natuurlijke historie, merkte hij in een van de Sudelbücher op: "De man heeft veel gelezen, maar begrijpt vrijwel alles verkeerd. Hij is onuitputtelijk in het maken van hypothesen, omdat er voor hem maar een flauwe gelijkenis nodig is om er een te verzinnen... Hij is een van die personen met wie men heel veel woorden kan hebben gewisseld zonder eigenlijk met hem gesproken te hebben'.

Gezond verstand helpt de wetenschap vooruit, maar zaligmakend voor het leven is het niet. Ook niet bij hen die er ruim mee zijn bedeeld. Lichtenberg zag ook genoeg onverstand. Over een van zijn bekenden noteerde hij eens "Als hij zijn verstand moest gebruiken, dan ervoer hij dat als iemand die rechtshandig is en en die iets met zijn linkerhand moet doen'. En over zijn eigen tijd merkte hij wanhopig op: "Men spreekt veel van Verlichting en wenst meer licht. Mijn God, wat helpt al het licht als de mensen ofwel geen ogen hebben, of wanneer zij die ze wel hebben ze opzettelijk sluiten?'. Lichtenberg, een warm voorstander van universele tolerantie, wist ook wel dat dit een ideaal was. Hij heeft gelijk gekregen en wie nu honderd meter buiten deze in feite aan de Verlichtingsidealen opgedragen expositie loopt, ziet op een stenen kunstwerk Ausländer heraus gekrast.

Aardsheid

Lichtenberg was geen rationalist pur sang. Hij had een buitengewone belangstelling voor het irrationele. Hij hield zich bezig met een persoonlijke vorm van Traumdeutung, hij was geïnteresseerd in krankzinnigheid en er waren voortdurend stormen in zijn gevoelsleven waarvan hij wist dat hij ze met geen mogelijkheid in zijn ratio kon inpassen. Juist dat aspect wordt duidelijk in de wetenschappelijke edities van zijn brieven en aantekeningen. Aan de andere kant werd hij ook geen romanticus. Van sentimentaliteit en schwärmerei moest hij niets hebben. Bij voorkeur stelde hij zich daar tegenover op met een provocerende aardsheid. Over Goethes Die Leiden des jungen Werthers schreef Lichtenberg een jaar na verschijnen dat hij de geur van een pannekoek een sterker argument vond om te blijven leven, dan de redenen van Werther om zich van kant te maken.

Lang niet alle observaties in de Sudelbücher zijn vandaag nog even lezenswaardig. Sommige zijn tijdgebonden, andere flauw. Hetzelfde geldt voor zijn satirische artikelen, vaak polemische reacties, maar een paar hebben de tand des tijds doorstaan. Zo is er een prachtige plechtstatige brief van de aarde aan de zon en in de Rede der Ziffer 8 laat hij de 8 een toespraak tot zijn medecijfers houden ter gelegenheid van het verscheiden van het jaar 1798. De 8 moet zijn plaats afstaan, maar wijst erop dat hij na de eeuwwisseling voor het eerst na duizend jaar weer een ereplaats zal innemen. In deze satire zitten ook actuele toespelingen op de Franse Revolutie verwerkt, waarover Lichtenberg na een aanvankelijke bewondering steeds cynischer werd.

Sterker nog dan in zijn aforismen ontpopt Lichtenberg zich in zijn brieven als een innemend mens. Hij moet er 6000 tot 10.000 geschreven hebben, voor een groot deel aan vakgenoten over de hele wereld, van New York tot Sint Petersburg en van Leiden tot Rome. Er zijn er ongeveer 1600 bewaard gebleven. Ze handelen over zijn onderzoekingen, over nieuwe publikaties, maar ook over persoonlijke omstandigheden, zijn zwakke gezondheid, over zijn liaison met een twintig jaar jonger meisje dat op haar zeventiende overleed, over zijn latere huwelijk waaruit acht kinderen ontsproten. Hij zal wel een aardige vader zijn geweest die onzinrijmpjes voor zijn kinderen maakte.

Londen

De tentoonstelling laat iets zien van de toch wel suffende provinciale achtergrond waar Lichtenberg uit voortkwam. De landgraaf van Hessen-Darmstadt deed niets liever dan op jacht gaan. Maar waar komt dan Lichtenbergs ongeborneerde levenshouding vandaan? Zijn vader zal invloed op hem hebben gehad. Hij stierf weliswaar toen Georg tien jaar oud was, maar het was een man met een grote belangstelling voor muziek, literatuur en de natuurwetenschappen. Lichtenbergs eigen mismaaktheid moet hem ook al vroeg in de positie hebben gedrongen van een afstandelijke waarnemer van de medemens. Deze gedistantieerde belangstelling is versterkt door de directe kennismaking met de Engelse cultuur. Tweemaal heeft hij een reis over het Kanaal gemaakt. In 1770 kreeg hij de kans om naar Engeland te gaan, en wel als begeleider van twee Engelse jongemannen, die hij in Göttingen al onder zijn hoede had. In Londen ging een wereld voor hem open. Deze metropool was met zijn 700.000 inwoners de grootste stad van de wereld. Lichtenberg had uit kranten en tijdschriften en van bekenden die de stad uit eigen ervaring kenden, natuurlijk wel iets vermoed. Maar hij was totaal verbluft. De dichtbebouwde wijken, de verkeersdrukte, de markten en de winkels waar werkelijk alles te koop was, de theaters, musea en koffiehuizen, maar ook de sloppenwijken, de bedelaars en de hoeren en verder in het land de industriecentra.

Een tweede Engelse reis maakte Lichtenberg van 1774 tot 1775. Hij rende er rond "mit allen Sinnen sperrweit offen'. Hij ontmoet er de belangrijkste vakgenoten, hij maakt kennis met de medereizigers van James Cook die zojuist zijn tweede tocht rond de aarde heeft voltooid en hij spreekt er met een meegevoerde inwoner van een Zuidzee-eiland die een beetje Engels kan brabbelen. De kleine Duitse geleerde wordt zelfs herhaaldelijk bij de koninklijke familie op visite genood. Hij gaat veel naar het toneel en zuigt er Shakespeare op. Na zestien maanden keert hij terug naar Göttingen, het stadje "waar elk gezicht wel op een ander rijmt'.

Aan de Engelse cultuur heeft Lichtenberg voor het leven zijn hart verpand. Over het verschil in onderzoeksmethodes stelt hij vast dat het een karakteristieke eigenschap van de Duitser, in tegenstelling tot de Engelsman, is om een paar ervaringen onmiddellijk tot een systeem te ordenen. "Er is niets wat de vooruitgang van de wetenschap meer belemmert, zoals Bacon en honderd anderen al hebben opgemerkt'. Lichtenberg bewondert vooral de Engelse satirische schrijvers van zijn tijd: Swift, Defoe, Fielding, Smollet en Sterne. Bij hen vindt hij wat hij bij de Duitse auteurs mist: humor en aandacht voor de onderste lagen van de maatschappij. "Ik had graag Swift als barbier gehad', schrijft hij aan het eind van zijn leven, "Sterne als kapper, Newton bij het ontbijt en Hume bij de koffie'.

William Hogarth

Van de geschreven satire is het maar een stapje naar de getekende satire en ook daar had Lichtenberg zijn voorkeur: de Engelse schilder en graveur William Hogarth. In zijn satirische prentenreeksen gaf Hogarth commentaar op de zeden van zijn tijd. Lichtenberg was hier zo door gegrepen, dat hij uitvoerige commentaren op deze zeer populaire series ging publiceren. Hij wilde daarin niet alleen die prenten verklaren, maar op deze manier ook een literaire pendant creëren. Wat Hogarth met de graveernaald had gedaan, wilde Lichtenberg met de pen bereiken.

Die obsessie met Hogarth is te verklaren uit Lichtenbergs grote belangstelling voor gezichtsuitdrukkingen. Vandaar zijn liefde voor het toneel. Daarom ook trok hij zo van leer tegen de auteur van de Physionomik, Johann Caspar Lavater, die een systeem had uitgewerkt dat de innerlijke mens verklaarde uit zijn gelaatstrekken. Dit is een van de beroemdste polemieken van de achttiende eeuw geworden.

Papier

De tentoonstelling in Darmstadt biedt een onvoorstelbare hoeveelheid Lichtenbergiana, om precies te zijn 851. Daar is natuurlijk heel veel papier bij. Wat moet je bij een denker en schrijver anders laten zien? Alle bewaard gebleven Sudelbücher kan men bekijken, zijn publicaties, zijn brieven, alba amicorum van medestudenten, waarvan enkele zeer fraai gellustreerd met tekeningetjes die het studentenleven weergeven. Heel veel wetenschappelijke lectuur van zijn tijd en vele exemplaren van de Göttinger Taschen Calender, het tijdschrift dat hij van 1778 tot 1799 uitgaf. Zijn wetenschappelijk werk is verder vertegenwoordigd met instrumenten die deels van hemzelf zijn geweest: apparaten uit de astronomie, de mechanica, de elektriciteitsleer en de optica. Voor de wetenschapsgeschiedenis leeft hij dan ook voort als een groot experimenteel onderzoeker op het gebied van de elektriciteitsleer. Hij is de ontdekker van de "figuren van Lichtenberg'. Dat zijn figuren die ontstaan op een bepoederde plaat die wordt aangeraakt door een geladen geleider. Is die lading positief dan ontstaan stervormige figuren, is de lading negatief dan verschijnen ronde figuren. Lichtenberg concludeerde dat de twee soorten elektrische lading even sterk waren en hij was het die daar de benaming negatief en positief aan gaf en bovendien de symbolen + en - voorstelde. Dat deze Lichtenbergse figuren in onze eeuw de basis zouden vormen voor het principe van het kopieerapparaat heeft hij niet kunnen bevroeden. Ook leeft Lichtenberg nog voort in een maankrater, die hij niet zelf ontdekt heeft, maar die de ontdekker na zijn dood naar hem genoemd heeft. Van Lichtenbergs persoonlijke bezittingen rest weinig meer: een wandelstok met zilveren knop en een horloge. Natuurlijk zijn ze tentoongesteld, maar het oude geraamte van een gebochelde had men beter in het anatomisch laboratorium kunnen laten.

Leiden

In de laatste zaal valt een fraai gecalligrafeerd epistel op, in het Nederlands gesteld. Het is ondertekend door Martinus van Marum, de secretaris van de Hollandse Maatschappij der Weetenschappen. Het is de oorkonde waarmee Lichtenbergs benoeming tot lid van dit geleerde genootschap is vastgelegd. Juist op tijd, want de professor uit Göttingen zou acht maanden later overlijden. In 1795 had hij overigens al een verzoek gekregen om hoogleraar in Leiden te worden als opvolger van Pieter Nieuwland, de belangrijkste wiskundige en natuuronderzoeker van ons land. Had hij het maar gedaan, dan bezaten we nu een haarscherp persoonlijk portret van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die op haar laatste benen liep.

Lichtenberg is op zijn reizen naar Engeland door ons land gereisd. Op de eerste reis, begonnen in maart 1770, noteerde hij in zijn dagboek alleen de reisafstanden. Maar uit een brief blijkt dat hij collega's in Utrecht heeft bezocht en voor het observatorium aldaar niets dan lof had. Hij reisde per trekschuit verder en waarschuwde de schipper dat hij zich wilde laten wekken als ze door Leiden kwamen. Dat gebeurt om drie uur 's nachts inderdaad en dan ziet hij tegen de heldere hemel de gevels van de beroemde universiteitsstad en hoort hij er een carillon spelen, muziek die op vele buitenlanders een betoverende indruk maakte. Hij correspondeerde met enkele Nederlandse collega's zoals met Boerhaave en Petrus Camper, die hem ook bezocht heeft. In een brief uit 1782 klinkt er een zeker mededogen met Nederland door. Ons land is dan verwikkeld in de Vierde Engelse Oorlog, die onherstelbare economische schade aanricht. "Glimlacht u niet af en toe over Myn Heer de Hollander?', vraagt hij zijn correspondent. "Wat is deze natie afgezakt, als je die winkeliers van nu vergelijkt met die uit de tijd van De Ruyter, Tromp en Obdam! Ik zou wel willen weten wat de oorzaak daarvan is.'

Natuurlijk, de roem van Neêrlands Gouden eeuw was ook tot Lichtenberg doorgedrongen. In 1777 liet hij zelfs een portret van Rembrandt kopiëren voor zijn studeerkamer. Maar Nederland is inmiddels deerlijk in verval geraakt. En Lichtenberg zelf is ook niet erg gezond meer. In Leiden zou hij sukkelend en verstoft een echte karikatuur zijn geworden.