Felle concurrentie Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen

Op de Nederlandse liefdadigheidsmarkt woedt een felle concurrentieslag om de "geefgulden'. Steeds meer hulporganisaties dingen mee en de spoeling wordt dunner. Nog steeds is het Rode Kruis de bekendste en meest gewaardeerde hulporganisatie, maar het wordt bedreigd door het jonge Artsen zonder Grenzen. De concurrentie dwingt de hulporganisaties het goede doel te verpakken in flitsende televisiespelletjes en sensationele hulpacties. Wie het eerst de vlag bij de ramp plant, profileert zich het best aan het thuisfront. Maar soms lopen hulpverleners elkaar voor de voeten en is de noodhulp te laat of overbodig.

“We doen meer dan pleisters plakken tijdens de Vierdaagse”, zegt C. Peeters, verantwoordelijk voor voorlichting en werving van het Nederlandse Rode Kruis. Onder het motto "altijd, overal voor iedereen' is het Rode Kruis in 125 jaar uitgegroeid tot Nederlands meest bekende en meest gewaardeerde hulporganisatie, die vorig jaar 23 miljoen gulden aan eigen fondsen verwierf. Maar er is inmiddels, vooral op het gebied van de noodhulp, stevige concurrentie van de nieuwkomer Artsen zonder Grenzen. In 1989 stond Artsen zonder Grenzen op de "chari-barometer' - die de bekendheid van en waardering voor de liefdadigheidsorganisaties aangeeft - op de twaalfde plaats. Vorig jaar kwamen de Artsen op de vijfde plaats, en dit jaar waarschijnlijk op de derde plaats. “Wij zijn een actie-organisatie”, zegt J. de Milliano, die Artsen zonder Grenzen acht jaar geleden in Nederland hielp oprichten. “Wij zijn doeners, onze mensen lopen steeds met piepers op zak.”

Het Rode Kruis ondervindt de gevolgen van de wet van de remmende voorsprong. De organisatie, in 1864 door Henry Dunant opgericht, heeft een gedegen maar ook een bezadigd imago gekregen. Het Rode Kruis collecteerde permanent en hoefde niet uitbundig aan de weg te timmeren. Maar sinds de opkomst van Artsen zonder Grenzen, opgericht in 1984, merkt het Rode Kruis dat de Nederlander zijn "geefgulden' maar één keer uitgeeft. In 1988 kreeg Artsen zonder Grenzen 3,4 miljoen aan eigen fondsen, vorig jaar was dat al twintig miljoen. De fondsenverwerving van het Rode Kruis steeg in die periode ook, maar veel langzamer: van 16,6 naar 23,8 miljoen. Het Rode Kruis maakt zich zorgen over de hardere concurrentie op de chari-markt. “We krijgen met gironummer 777 nog altijd stijgende inkomsten, maar het gaat met steeds meer moeite”, aldus P. Verheij, financieel directeur van het Rode Kruis.

Volgens het Rotterdamse bureau Mediad, de opsteller van de chari-barometer, kunnen alleen professionele fondsenverwervers een goede plaats op de markt behouden. De collectebus wordt vervangen door rechtstreeks toegezonden folders en door televisieprogramma's waarin kinderleed wordt gecombineerd met een kans op de hoofdprijs. “Tegen de spectaculaire acties van Artsen zonder Grenzen kan bijna niemand op”, zegt woordvoerder Lasker van Mediad. “Als het Rode Kruis de slag niet wil verliezen, moet het professioneler fondsen werven.”

Volgens Lasker is het Rode Kruis te langzaam en vergadert het te veel. “Het Rode Kruis heeft een erg ingewikkelde structuur met veel bestuurslagen. Het is moeilijk om er snel te handelen. Het imago van Artsen zonder Grenzen is sterk omdat ze snel zijn en efficiënt met de media omgaan. Ze zetten bij elke ramp als eerste hun vlag, onder het oog van de camera.”

Het Rode Kruis erkent dat het een “gouvernementele benadering” heeft. “Wij gaan niet op eigen houtje naar een land toe”, zegt Peeters. “Het Rode Kruis in het land van de ramp is de eerst aangewezene. Pas als dat het niet aankan, worden via Genève andere Rode-Kruisorganisaties aangewezen. Artsen zonder Grenzen zegt altijd als eerste ter plekke te zijn. Maar wij zijn er meestal al via onze zusterorganisatie. Vaak wordt er smalend gelachen als wij weer een lading dekens sturen, maar zulke bijdragen passen in de arbeidsverdeling die we met onze zusterorganisaties hebben.”

Artsen zonder Grenzen lijkt de slag om de camera te hebben gewonnen en is snel bij een breed publiek bekend geworden. Maar J. Puls van de hulporganisatie Memisa heeft zijn bedenkingen bij het optreden van Artsen zonder Grenzen. “Jan Publiek heeft het idee dat de Derde wereld zielig en lastig is. Er moeten blanke Europeanen aan te pas komen om de zaak te regelen. Op dat stereotype speelt Artsen zonder Grenzen in.” De Milliano ontkent dat zijn organisatie de publiciteit met opzet zoekt. “Wij bellen niet actief rond. We krijgen de meeste publiciteit bij de noodhulp na rampen. Maar dat is slechts twintig procent van onze activiteit. Wij hebben een open cultuur en staan wel in contact met de media. We doen iets en vertalen het communicatief.”

De chari-markt groeit. Vorig jaar waren er ruim driehonderd organisaties actief die circa 800 miljoen gulden ophaalden. Nu er de laatste jaren veel nieuwelingen op de liefdadigheidsmarkt zijn verschenen groeit bij de bestaande organisaties de behoefte om eventuele "beunhazen' buiten de deur houden. Vooral het schandaal rondom de Postcodeloterij - waarbij sprake was van een ontoelaatbare belangenverstrengeling - heeft dat proces in een stroomversnelling gebracht. Het Centraal Bureau Fondsverwerving in Amsterdam, dat de liefdadigheidsorganisaties registreert, is bezig duidelijke criteria op te stellen om volgend jaar een keurmerk te kunnen invoeren voor charitatieve instellingen: een soort KEMA-keur.

Het keurmerk zal een bescherming vormen voor organisaties als het Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen tegen gladde binnendringers op de chari-markt, maar het dwingt de organisaties tevens om nog meer dan voorheen de kwaliteit van hun eigen hulp aan te tonen. Beide organisaties hebben duidelijke sterke en zwakke kanten.

De professionaliteit van het Rode Kruis wordt door vrijwel niemand betwist. Het werkt met ervaren krachten, en kan door zijn "neutrale positie' gevoelige zaken als de uitwisseling van krijgsgevangenen uitvoeren. De schaduwzijde van het behoedzame en professionele optreden van het Rode Kruis is dat de hulp langzaam op gang komt. Soms, zoals in het geval van de aardbeving in Armenië van eind 1988, zelfs zo laat dat een chirurgisch team dat het Rode Kruis vier dagen na de beving nog wilde sturen op verzoek van de Sovjet-autoriteiten maar thuis bleef: het was al niet meer nodig. En tijdens de Koerdische crisis van vorig voorjaar stuitte het Rode Kruis op de beperkingen van zijn “gouvernementele aanpak”. De Turkse regering gaf maar zeer aarzelend en met veel vertraging toestemming aan het Rode Kruis om de Koerden te gaan helpen. Voor Artsen zonder Grenzen was het een glorieus moment. Met veel lef openden de Nederlandse artsen een dringend noodzakelijk kliniekje op de berghellingen in zuidoost-Turkije nog voordat de Turkse autoriteiten daarmee hadden ingestemd.

In Afghanistan speelde Artsen zonder Grenzen eveneens een belangrijke rol. Het Rode Kruis was actief in Kabul en enkele andere steden, maar kreeg van de officiële Afghaanse regering geen permissie om op het platteland, dat in handen was van het verzet, te werken. Maar Artsen zonder Grenzen trok ondanks de protesten van het bewind in Kabul onverschrokken Afghanistan binnen om de door oorlog geteisterde bevolking medisch bij te staan.

Niet overal is het optreden van Artsen zonder Grenzen even doelmatig. Ivan Wolffers, hoogleraar gezondheidszorg in ontwikkelingslanden aan de Vrije Universiteit, was vorig jaar in Cambodja en bezocht daar Artsen zonder Grenzen. Hij raakte niet onder de indruk: “Ze werkten niet in de echt gevaarlijke zones, daar kon je namelijk niet komen. Ik kwam daar in een dorpje zo'n arts van Artsen zonder Grenzen tegen, een Amerikaan. Hij had massa's patiënten, maar de meesten kwamen met klachten als verkoudheden, een gebroken been en dat soort dingen. Die klachten konden net zo goed door lokale mensen worden behandeld. Met noodhulp had het niets te maken. Het sturen van een arts was daar als het zenden van een kok van een driesterrenrestaurant naar Ethiopië.”

Een ander zwak punt van Artsen zonder Grenzen is dat de organisatie, in tegenstelling tot het Rode Kruis, veel met jonge onervaren vrijwilligers werkt. De arts Wilma Meeus, die tweeënhalf jaar voor de Artsen werkte en nu voor een Amerikaanse organisatie in Burkina Faso zit, heeft gemerkt dat medewerkers van Artsen zonder Grenzen dikwijls zeer slecht waren voorbereid op een verblijf in een moeilijk land. “Ze modderen vaak maar wat aan zonder enige richting. Sommige medewerkers hielden er zeer romantische ideeën op na”, herinnert Meeus zich. “Ze wilden hetzelfde eten als de plaatselijke bevolking. Ik moest hen dan vertellen dat ze niet naar Afrika waren gekomen om ziek te worden.” Artsen zonder Grenzen heeft intussen een uitgebreid cursusprogramma opgezet om deze problemen te ondervangen.

Bij natuurrampen loopt de noodhulpverlening soms duidelijk uit de hand. Bij de aardbeving in Mexico in 1985 liepen de buitenlandse artsen, waaronder een team van Artsen zonder Grenzen, elkaar hinderlijk voor de voeten want er waren meer dan genoeg Mexicaanse artsen ter plaatse. Het sterkst is zowel het Rode Kruis als Artsen zonder Grenzen in situaties van burgeroorlog. Vaak zijn ze de enige hulporganisaties die de oorlogsslachtoffers nog een sprankje hoop kunnen bieden. Met veel moed en idealisme vervullen beiden nu deze taak weer in het voormalige Joegoslavië en in Somalië.

Zowel het Rode Kruis als Artsen zonder Grenzen gaat ervan uit dat de sector van de noodhulp zal groeien. “Er komen steeds grotere stromen vluchtelingen en het aantal brandhaarden neemt toe”, zegt De Milliano. Volgens hem moet noodhulp niet worden gezien als een tijdelijk verlengstuk van de structurele ontwikkelingshulp, waarvan de concepten in de jaren zestig werden uitgedacht. “De grote idealen van de jaren zestig zijn mislukt, kijk maar naar Afrika. Noodhulp was er voor het dichten van de gaten, maar de gaten dreigen nu groter te worden dan de dijken. Een groot deel van de wereld is bezig met overleven. Noodhulp is een vak op zichzelf.”

Artsen zonder Grenzen wil daarom een organisatie oprichten die na een ramp meer langdurige projecten uitvoert. Volgens De Milliano bestaat er in veel landen een groot gat tussen de acute noodhulpfase en de reguliere ontwikkelingshulp.

Met de nieuwe poot voor structurele hulp ondervangt Artsen zonder Grenzen een deel van de kritiek dat de organisatie zich te veel fixeert op “brandjes blussen”. “Je schept met het veelvuldig gebruik van artsen verkeerde verwachtingen”, zegt Wolffers. “Je vergroot er al gauw de afhankelijkheid van de plaatselijke mensen mee.” Een voorbeeld hiervan was in 1983 het dorpje Balisahi, in het oosten van India, dat door een overstroming grotendeels werd weggevaagd. Er kwam geen enkele externe hulp en veel bewoners begonnen met grote vanzelfsprekendheid zelf hun huizen op te bouwen. Alleen de allerarmsten bleven lijdzaam op hulp wachten omdat ze rekenden op steun die ze bij een eerdere overstroming wèl hadden gekregen. “We hebben onvoldoende respect voor de overlevingsmechanismen van de mensen ter plekke”, vindt Wolffers. “Noodhulp is vaak een ritueel om te laten zien hoe goed wij uit het Westen zijn, en hoe klungelig de rest.”