Expansieve watersport rukt aan ketenen

Een miljoen Nederlanders storten zich met regelmaat op de watersport. Maar de watersporters voelen zich miskend door de overheid. Nederland-Waterland, zo vrezen zij, wordt Nederland-Belastingland.

Ruim één miljoen Nederlanders, zeven procent van de bevolking, begeeft zich regelmatig op het water en de populariteit van de watersport neemt nog altijd sterk toe. Bevoeren in 1970 nog maar 92.000 pleziervaartuigen met een lengte van meer dan 3,5 meter de Nederlandse wateren, in 1990 waren dat er circa 230.000. En het verzadigingspunt lijkt nog lang niet bereikt.

De Nederlander is bezig het water te ontdekken, meent Frank Jibben, woordvoerder van het Koninklijke Nederlands Watersport Verbond. “Dat zie je bij voorbeeld ook aan de toename van de vraag naar wonen aan het water. De meeste mensen in dergelijke huizen leggen dan een open bootje of motorbootje aan de steiger bij de tuin.” Volgens Jibben wil de toervaarder nieuwe vaarwegen ontdekken en worden de schepen steeds beter uitgerust. Het vaarseizoen wordt daardoor langer. Ook vanuit het buitenland stijgt de belangstelling voor het varen in Nederland. Ten minste 17.000 buitenlandse schepen liggen in een Nederlandse jachthaven en daarnaast zijn er nog ontelbare buitenlanders die met eigen boot of huurboot het waterrijke Nederland verkennen.

De plannen van minister Maij-Weggen (Verkeer en Waterstaat) om enkele kanalen te sluiten zijn de watersporters dan ook in het verkeerde keelgat geschoten. Vorig jaar maakte het ministerie van verkeer en waterstaat bekend dat de overheid een zevental vaarwegen wilde overdragen aan de provincies. Het betreft het zuidelijk deel van het Noordhollands Kanaal tussen Amsterdam en Akersloot, het Kanaal Almelo-De Haandrik, de Drentse Hoofdvaart/Noordwillemsvaart, de Stroobossertrekvaart bij Dokkum, de gekanaliseerde Hollandse IJssel bij Gouda en de Biesbossluizen.

Mocht deze overdracht, waarmee het Rijk vijf miljoen gulden zou besparen, niet lukken, dan zouden ze gesloten moeten worden. Het overleg tussen overheid en provincies leverde tot nu toe geen resultaat op. Een Kamermeerderheid van CDA, VVD en SGP verzet zich tegen de kanalenoverdracht en dringt aan op hervatting van de onderhandelingen met de provincies, die het beheer niet willen overnemen als er geen ruime financiële tegemoetkoming tegenover staat. Maar Maij-Weggen houdt de boot vooralsnog af. Ze heeft weliswaar beloofd "niet op voorhand tot sluiting over te gaan', maar van haar plannen tot overdracht nam ze niets terug.

De mogelijke sluiting van kanalen is niet de enige donkere wolk die boven watersportminnend Nederland hangt. Ook de invoering van het vaarbewijs voor schepen met een lengte van meer dan vijftien meter in april 1992 valt niet in goede aarde. Verder dreigt de voorgenomen introductie van een landelijke pleziervaartbelasting van gemiddeld 350 gulden het varen uit financieel oogpunt zo onplezierig te maken dat volgens een onderzoek van de ANWB 15 à 20 procent van de toervaarders overweegt met deze vorm van recreatie te zullen stoppen. Daar dreigen nog eens lokale belastingen bovenop te komen en stijgen sluis- en bruggelden, wat hoog kan oplopen. Want een knaak per brug of sluis lijkt een schijntje, op veel vaarwegen loopt dat bedrag aardig op.

“De sector wordt echt heel boos”, zegt algemeen secretaris A. Vink van de HISWA, de overkoepelende vereniging van watersportbedrijven. Hij verzucht:“Nederland-Waterland lijkt Nederland-Belastingland te worden.” Op hoge poten ondernemen de anders zo makke watersportorganisaties stappen om ministers, Kamerleden en andere politici onder druk te zetten. Maar of het echt zal helpen wordt door velen betwijfeld.

“Toerisme is in Nederland een ondergeschoven kindje en de watersport heeft al helemaal het imago van een vorm van vrijetijdsbesteding voor een elitair groepje rijke stinkerds”, meent een direct bij de waterrecreatie betrokken ambtenaar van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. “Ook al klopt dat beeld niet en zijn er massa's mensen die jarenlang wat geld op zij leggen om een bootje te kunnen kopen.”

Pag 12: Miljoen Nederlanders op water

Feit blijft dat de watersport niet onbelangrijk is voor de Nederlandse economie. In 1988 bedroeg de omzet van de 3245 bij de watersport betrokken bedrijven ongeveer 1,9 miljard gulden (ter vergelijking: de omzet van de beroepsvaart bedraagt circa 2 miljard) en waren 11430 mensen in deze sector werkzaam. En de Nederlandse jachtbouw staat wereldwijd in hoog aanzien.

Weliswaar liep in het depressieve begin van de jaren tachtig de bouw van goedkopere schepen (seriebouw) in Nederland terug en zijn veel pleziervaartuigen op de Nederlandse wateren tegenwoordig van buitenlandse makelij. Maar door specialisatie wisten enkele honderden bouwers het hoofd boven water te houden. Zij zien de toekomst met optimisme tegemoet. “Bijna alle werven verwachten een groei in de omzet voor de komende jaren. De verwachting is dat de werkgelegenheid flink zal stijgen”, aldus HISWA-secretaris Vink.

Deze ondernemers zien de negatieve ontwikkelingen in de Nederlandse recreatievaart echter wel met zorg aan. Dat geldt vooral de 85 middelgrote werven en de vele kleine bouwers van standaardschepen van 6 tot 20 meter, die op bestelling gemaakt worden op basis van standaardmallen. Voor hen is de binnenlandse afzet, die naar schatting 300 miljoen gulden bedraagt, van grootbelang. De vijftien grootste werven zijn vooral gebaat bij een goed imago van Nederland als waterland. Zij leven van de export en de thuismarkt is voor deze bedrijven nauwelijks van betekenis. Zij vervaardigen zeer luxueuze schepen, de zogenaamde "custom built' jachten van 3 tot 20 miljoen gulden en meer, en hun klanten bevinden zich voornamelijk in het Midden-Oosten, de Verenigde Staten en de Kanaal Eilanden. Jaarlijks wordt er voor ongeveer 500 miljoen gulden geëxporteerd.

Deze Nederlandse topwerven zijn zeer specialistisch, soms bijzonder innovatief en de produkten zijn van een hoog technisch niveau. Zo zijn de werven Heesen in Oss en Neptunus in Hardinxveld-Giessendam vooral actief op het marktsegment van de zeer snelle motorjachten en is de werf Huisman te Vollenhove een beroemde naam op het gebied van de wedstrijdzeiljachten. Het Medemblikse bedrijf Conyplex introduceerde als eerste vleugelkieltjes die met minder diepgang een grote vaarstabiliteit garanderen. Veel werven bouwen jaarlijks maar drie of vier schepen.

Ook een aantal toeleveranciers vervaardigt zeer hoogwaardige produkten, zoals het aan de werf van Huisman gelieerde Rondal, dat masten exporteert over de gehele wereld.De grote traditie van ambachtelijkheid heeft volgens de HISWA ook zijn keerzijden. De meeste ondernemers denken meer produkt- dan marktgericht en de sector wordt gekenmerkt door een lage scholingsgraad. De HISWA constateert verder een zeker conservatisme in de branche bij het gebruik van materialen en technieken. Ook laat het management van veel bedrijven te wensen over. Zelfs tijdens de hoogconjunctuur in de late jaren tachtig bleek de gemiddelde rentabiliteit niet hoger dan twee procent te liggen.

De waterrecreatiesector bestaat uit meer dan scheepsbouw alleen. Watersportaccessoires als buitenboordmotoren, touw, zeil en reddingboeien worden grotendeels geïmporteerd, zodat er in Nederland een dicht netwerk van handelaars, groothandelaars en importeurs en exporteurs bestaat. De rest van de omzet van 1,5 miljard komt van andere activiteiten en voorzieningen als scheepsreparatie, botenverhuur, jachthavens en dergelijke. Ook de indirecte effecten van de waterrecreatie zijn niet gering voor de Nederlandse economie. Hoe groot die zijn, valt moeilijk te berekenen. Maar men hoeft zich alleen maar een voorstelling te maken van de zomerse drukte in plaatsen rond het IJsselmeer en in de provincies Zeeland en Friesland om te beseffen wat er aan geld omgaat.

De "lichtzinnigheid' waarmee de overheid de watersport benadert is, volgens watersportenthousiasten, dan ook bijzonder kortzichtig. Rijkswaterstaat zou slechts kijken naar de kosten van waterbeheer, terwijl alleen al de toervaart de overheid meer geld oplevert dan ze er aan uitgeeft. In opdracht van Rijkswaterstaat onderzocht het Amersfoortse Bureau voor Toegepaste Economische en Ruimtelijke Planning (TERP) in 1989 het maatschappelijk belang van de recreatievaart in Nederland.

De conclusies waren opmerkelijk. Zelfs met het sluiten van de Drentse Hoofdvaart, één van de bedreigde kanalen waardoor jaarlijks slechts 2500 à 4000 pleziervaartuigen passeren, schiet de overheid financieel weinig op. Het onderzoeksbureau berekende dat de kosten van beheer bij sluiting van deze vaart slechts met één miljoen gulden per jaar zouden dalen, tot circa zeven miljoen. Omdat het kanaal ook van betekenis is voor de waterhuishouding en enkele andere functies in het gebied, kan de overheid de vaart namelijk niet zomaar aan zijn lot overlaten.

Daar tegenover staat dat de bestedingen van ongeveer een miljoen gulden in het gebied (het regionaal economische effect) zullen wegvallen en een essentiële schakel in het toervaartnet van Noord-Nederland verdwijnt, waardoor andere gebieden in economisch en maatschappelijk opzicht ook zullen worden getroffen. Volgens het bureau zou de overheid er slimmer aan doen de recreatievaart op dit kanaal juist te bevorderen. Dan zouden de eigen inkomsten toenemen en de regio enorm profiteren. Nu is het 's zondags onmogelijk de Drentse Hoofdvaart te bevaren, omdat de sluizen en bruggen niet worden bediend.

Wat voor de Drentse Hoofdvaart geldt, gaat op voor veel andere Nederlandse wateren: het "produkt' is niet goed. Tachtig procent van de bruggen en sluizen van het basistoervaartnet schiet ernstig tekort in bediening. Vooral op zon- en feestdagen, bij uitstek de dagen dat men er op uit wil trekken, kan de watersporter met zijn boot beter aan wal blijven, want driekwart van het net is dan in het geheel niet of voor een gering aantal uren te bevaren. Ook is een aantal wateren van het basisnet te ondiep of zijn de doorvaarthoogten te laag en ontbreken er nog een aantal belangrijke schakels.

Deels is dit de overheid aan te rekenen. Rijk en provincie beheren immers de meeste Nederlandse wateren en zijn verantwoordelijk voor sluizen en bruggen. Maar het is ook de ondernemers in de branche zelf te verwijten. “De hele sector is slecht ontwikkeld”, geeft HISWA-secretaris Vink ruiterlijk toe. De kleine tot zeer kleine bedrijfjes zijn veel te individualistisch ingesteld. De organisatiegraad is laag, er wordt nauwelijks samengewerkt en gezamenlijke initiatieven worden vrijwel niet ontplooid.

Initiatief is er wel vanuit andere hoek. Met water kan een stad of streek zich profileren. Het buitenlandse "waterfrontidee' - het omvormen van oude havengebieden tot hoogwaardige kantoorlokaties - is naar Amsterdam (IJ-oeverproject) en Rotterdam (Kop van Zuid) komen overwaaien. Gouda en Dordrecht noemen zich watersteden en de provincie Groningen investeerde de afgelopen jaren zestig miljoen gulden in het opknappen van de oude kanalen. Tot nog toe is het echter niet gelukt massa's toeristen naar de Groningse dreven te lokken.

Aan de bevordering en promotie van de waterrecreatie schort in Nederland nog veel. Ondanks de toenemende vraag, ook vanuit het buitenland, is het hier nauwelijks mogelijk een pleziervaartuig te huren. “In Nederland hebben we enorm zitten pitten”, zegt Vink van HISWA. “Wat de Alpen voor Zwitserland zijn, is het water voor Nederland. Het verschil is alleen dat de Zwitsers al jaren geleden de landschappelijke kwaliteiten van hun land hebben uitgebuit, terwijl er in Nederland vrijwel niets mee is gedaan.” Het Nederlands Bureau voor Toerisme heeft de sector lange tijd links laten liggen. Ruim een jaar geleden werd daar pas iemand aangesteld die zich met watertoerisme bezighoudt. “Dat is tekenend”, meent Vink.

De "Holland Promotion' blijft op het niveau van tulpen, molens, kaas en klompen steken. Op het ministerie van VROM zijn een paar ambtenaren weliswaar bezig om de slogan "Nederland-Waterland' in beleid om te zetten, maar erg ver is men nog niet. Pas volgend jaar zal men zich gaan bezighouden met een "visie in integrale zin', zegt mevrouw G. J. Laman, plaatsvervangend hoofd van de afdeling landelijke gebieden op dit ministerie. Laman verhult haar pessimisme niet. De politiek toont zich nauwelijks geïnteresseerd en de bedrijfstak is moeilijk te benaderen.

Haar mening wordt gedeeld door het Nederlands Bureau voor Toerisme dat twee jaar geleden een offensieve promotiecampagne "Nederland-Waterland' begon in binnen- en buitenland. De effecten van de campagne, die volgend jaar afloopt, zijn moeilijk te meten, maar de resultaten lijken niet mee te vallen. Zo kon de consument onlangs in het kader van de Eerste Nationale Open Dag Waterrecreatie bij tal van jachthavens, watersportverenigingen en andere watersportorganisaties met de vele vormen van waterrecreatie kennismaken. Slechts enkele tienduizenden mensen kwamen er op af. “We hadden er veel meer verwacht”, aldus woordvoerder Sjaak Hoogkamer. De contacten met de sector verliepen zeer moeizaam. De bedrijven haakten er veel te weinig op in. Wil de jaarlijkse Nationale Open Dag in de toekomst een succes worden, dan zal het bedrijfsleven er veel meer op moeten inspelen. Na 1992 zet het NBT "Nederland-Waterland' weer op een zacht pitje. Dan is het al weer de beurt aan "Nederland-Bloemenland'. Dat deze nieuwe campagne veel beter zal aanslaan, is voor Hoogkamer nu al zonneklaar.