Engeland spreekt, de wereld stelt vragen

Door en door bezig met zichzelf, vol onbegrip zodra ze over de grens komen en om zich daaruit te redden hun toevlucht nemend tot ironie of goedkope romantiek - dat is het beeld dat velen van Engelse schrijvers hebben. In Cambridge gingen vorige week twintig Engelsen een confrontatie aan met zestig schrijvers, critici en vertalers uit de rest van de wereld. “Waarom moeten Balkanlanden altijd worden afgeschilderd als schertsstaatjes?”

“Ik begrijp nu opeens hoe het voelt om cultureel gekoloniseerd te worden.” De drie Fransen die vorige week in Cambridge aanwezig waren op het jaarlijkse seminar van de British Council over moderne Engelse literatuur, waren licht geschokt. De Engelse schrijfster Hilary Mantel had enkele fragmenten voorgelezen uit een binnenkort te verschijnen vuistdikke roman over de Franse Revolutie. Maar volgens de Fransen had ze er niets, maar dan ook helemaal niets van begrepen. Hoe haalde ze het in haar hoofd om in 1992 met een roman te komen over Danton en Robespierre! Alsof daar al niet alles over gezegd is! Als ze nu nog over onbekende bijfiguren had geschreven, maar nee hoor, mevrouw Mantel besloot vrijuit over twee hoofdrolspelers te fantaseren.

Begrijpen de Engelsen wel iets van de rest van de wereld? Dat was de vraag die in Cambridge vaker werd gesteld. De British Council had twintig Engelse schrijvers bereid gevonden naar Downing College te komen voor een confrontatie met zestig schrijvers, critici en vertalers uit de rest van de wereld. Er vonden welwillende discussies plaats. De Engelsen lazen voor en de rest van de wereld stelde vragen. Maar in de wandelgangen gonsde het af en toe van de kritiek. Op Hilary Mantel natuurlijk, maar ook op gezaghebbender schrijvers als Margareth Drabble en Malcolm Bradbury. Drabble had het bijvoorbeeld gewaagd een komisch fragment voor te lezen uit haar laatste roman The gates of Ivory. Daarin speelt een Thaise prostituée een opvallende rol. Als Engelse kun je misschien ironisch over Engelse dames schrijven, aldus een van de deelnemers, maar je kunt niet komisch schrijven over mensen in Zuidoost-Azië. Volgens Edna Manlapaz van de Universiteit van Manilla had Margaret Drabble een ander fragment moeten voorlezen. “Ze wist wie er naar haar zouden luisteren. Ik voel me persoonlijk gekwetst door haar portret van een Aziatische vrouw.”

De twee schijfsters passen perfect in het beeld dat velen van Engelse schrijvers hebben: door en door bezig met zichzelf en hun eigen omgeving en vol onbegrip zodra ze een keer over de grens komen. Om zichzelf uit hun onbegrip te redden nemen ze dan hun toevlucht tot de ironie of een goedkoop soort romantiek. En dat stoort sommigen. “De Franse Revolutie is voor ons deel van de wereld juist de laatste jaren heel belangrijk,” aldus de in Cambridge aanwezige Sloveen Boris Novak. “Het is een model waar alle latere revoluties, ook die in Oost-Europa, op gebaseerd zijn. Je mag daar in deze tijd niet zo vrijblijvend over schrijven.”

De volgende maand te verschijnen roman van Malcolm Bradbury werd al met even veel scepsis ontvangen. Op kwajongenstoon vertelde de schrijvende hoogleraar in zijn inleiding dat zijn uitgever hem in 1990 had gevraagd een roman te schrijven over de jaren negentig. De Berlijnse muur, de nieuwe wereldorde, het einde van de geschiedenis, de afsluiting van het millennium, het zou er allemaal in moeten. Bradbury had toegestemd en na enig nadenken had hij besloten dat de hoofdpersoon, typerend voor de jaren negentig, een Engelse journalist zou zijn. Geen filosoof, geen schrijver en geen academicus, maar iemand die tot taak heeft zonder veel theorie meningen te registreren. Een held van deze post-modernistische tijd.

De journalist wordt door zijn krant op reis gestuurd om een artikel te schijven over een (fictieve) Weense filosoof, "de Lukács van de jaren negentig' en ontmoet in Oostenrijk en Hongarije veel curieuze schepselen. Weer iemand die op reis gaat dus, en weer eenzelfde ironisch commentaar als in de andere Engelse boeken van de laatste tijd. De val van het marxisme en het anti-marxisme wordt in een paar bijzinnen verwerkt, de erfenis van de Habsburgers, de yuppie-cultuur, het einde van de geschiedenis, en nog zo wat. Alles zit er in.

De deelnemers die net de ineenstorting van het marxisme van nabij hebben meegemaakt en nog dagelijks de gevolgen zien van het Middeneuropese drama, konden er niet om lachen. Waarom zou een schrijver zich niet eens wat beter verdiepen in het onderwerp waarover hij schijft? Waarom gaf Bradbury geen analyse van de veranderingen in Midden-Europa? Waarom ging zijn hoofdpersoon niet naar Roemenië of Joegoslavië waar het er aanmerkelijk harder was toegegaan dan in Oostenrijk en Hongarije? Boris Novak: “Op de Balkan is een tragedie aan de gang. Waarom moeten Balkanlanden altijd worden voorgesteld als schertsstaatjes?”

De vraag waar het in Cambridge om ging was natuurlijk niet of de Engelsen de rest van wereld wel begrijpen, maar of hun literatuur zich altijd tot taak heeft gesteld de wereld te begrijpen. Als Malcolm Bradbury zijn obscure Middeneuropeanen beschrijft, zal geen Engelsman denken dat hij daarmee een betrouwbaar beeld geeft van een eeuwenoude cultuur. Maar de Middeneuropeaan denkt gauw: zijn wij dat nu? Het kan hem weinig schelen dat Bradbury de draak steekt met de cultus van Middeneuropese schrijvers die Engeland en Amerika in zijn greep heeft. Toch is dat wat er gebeurt. Bradbury laat in zijn boek zien hoe makkelijk het is om aan het rijtje grote namen een zelf bedachte naam toe te voegen. Hij beschrijft hoe een Engelsman op een vreemde cultuur reageert en hij ondersteunt daarmee misschien wel de kritiek op de Engels literatuur van deze tijd.

Dilemma

De Engelse roman bevindt zich op dit moment in een interessant dilemma, vindt Cathérine Bernard van de Universiteit van Orléans. Schrijvers proberen uit alle macht aan hun engelsheid ("englishness') te ontkomen, ze hebben kritiek op de Engelse roman, maar juist daardoor laten ze hun engelsheid zien. Sommigen zoals Martin Amis en Jim Crace proberen geheel nieuwe vormen te vinden. Maar de meesten, zoals Margaret Drabble en Hilary Mantel, blijven traditionele romans schijven waarin ze op zoek naar nieuwe onderwerpen. En daarin falen ze nu.

De Indiase schrijfster Lakshmi Kannan wijst erop dat de Engelsen in het verleden nooit echt belangstelling voor hun koloniën hebben kunnen opbrengen. Pas nu beginnen ze belangstelling voor de Engelstalige literatuur uit India en Pakistan te krijgen, nu deze literatuur zijn oorspronkelijke karakter kwijt is. De Engelsen hebben volgens haar nooit willen beseffen dat er ook in de eeuwen voor hun komst naar India een Indiase literatuur heeft bestaan. De Indiase en Pakistaanse schrijvers die nu in Londen worden gelezen zijn alleen maar populair omdat ze over het post-kolonialisme gaan en over het leven van buitenlanders in Engeland.

Over een ding zijn alle aanwezigen in Cambridge het eens. Hoe weinig de Engelsen in de vorige eeuw en in het begin van deze eeuw misschien ook voor hun koloniën hebben gedaan, ze hebben de inwoners wel een taal geleerd waarin ze nu met de rest van de wereld kunnen praten. Zonder het Engels zouden de meeste inwoners uit Afrika nu zelfs niet eens met elkaar kunnen praten. “We mogen blij zijn dat de Engelsen ons hun taal hebben geleerd,” vertelt de Keniaanse schrijver Meja Mwangi me na afloop van de een van de sessies. Een van de grootste problemen waarmee Afrika nu wordt geconfronteerd, is dat er zoveel verschillende volkeren en talen bestaan. “Ik vind het jammer dat ik in een taal schrijf die mijn eigen moeder niet kan verstaan, maar mijn boeken zijn nu tenminste overal te koop. Als we in Kenia nu nog Engels zouden moeten leren, zou er waarschijnlijk geen geld meer voor zijn. Hoe zouden we dan contact met het westen kunnen krijgen?”

Op een avond na de lezingen en discussies leest de Indiase schrijver Kiran Nagarkar in een bovenzaaltje van het universiteitscomplex fragmenten voor uit zijn roman Ravan and Eddie. Het is een prachtig verhaal. Het beschrijft met veel humor en liefde de verschillende religieuze en etnische groepen die in India proberen samen te leven.

Nagarkar vertelt me de volgende dag dat hij al jaren aan het boek werkt, maar betwijfelt of het ooit in druk zal verschijnen. In India is hij een verboden schrijver. In 1978 schreef hij een toneelstuk voor een bekend theater in Bombay en dat werd het begin van een lijdensweg. Tweeëntwintig keer zijn de repetities van het stuk begonnen, soms drie keer in één jaar, maar even zo vaak moest de première worden afgelast. Eerst wilde de officiële censuur geen toestemming geven. Er stonden te veel kwetsende passages in. Zesentwintig passages moesten worden geschrapt. Toen begonnen de dreigementen van politieke partijen en fanatieke hindoegroeperingen. Het stuk zou volgens hen te weinig respect tonen voor de waarden en instituties van het hindoeïsme. Men dreigde het theater in brand te steken, de spelers werden met mishandeling bedreigd. De eerste opvoering moet nog altijd plaatsvinden.

Nagarkar denkt erover voor zijn roman een Engelse uitgever te zoeken, maar vreest het ergste. Zeshonderd bladzijden van een Indiër over de sociale tegenstellingen in het naoorlogse Bombay. Het seminar is wat dat betreft duidelijk geweest. Welke Engelsman is daarin geïnteresseerd?