De potentie van het S-woord

HET "F-WOORD' DOMINEERDE vorig jaar om deze tijd in de aanloop naar de Top van Maastricht het Nederlandse voorzitterschap. Beter gezegd: de F van federalisme was het grote taboe. Nu is het Britse voorzitterschap bezig dat om te zetten in het S-woord subsidiariteit. Dit betekent is dat de Gemeenschap pas optreedt indien een bepaalde doelstelling beter op het niveau van de Gemeenschap dan op dat van de lidstaten kan worden verwezenlijkt.

Het subsidiariteitsbeginsel valt te herleiden tot de thomistische wijsbegeerte en heeft zich in de eerste helft van deze eeuw een leidende plaats verworven in de roomskatholieke organische staatsleer. Niet altijd een frisse plaats, getuige de uitwassen van het corporatisme. In de EG dook het subsidiariteitsbeginsel reeds op in de Europese Akte (op het gebied van het milieu) en het Verdrag van Maastricht heeft er vorig jaar ten slotte ook een passage aan gewijd. Het beginsel is nu met verve opgepakt door John Major als fungerend voorzitter van de Europese raad. In de schrik over het Deense “nej” lijkt ook Commissievoorzitter Jacques Delors geheel tot de S-terminologie te zijn bekeerd. De "bottom up'-benadering die zij belichaamt zal ook menige Europeaan meer aanspreken dan het "top down'-model van integratie.

Het subsidiariteitsbeginsel is echter een “onzeker houvast”, zo sputtterde vorig jaar om deze tijd de secretaris-generaal van economische zaken, mr. L.A. Geelhoed, in een opstel over dit onderwerp. Een vergelijkende beschouwing bracht hem tot de conclusie dat het beginsel in voor de hand liggende proeftuinen als de Verenigde Staten en de Bondsrepubliek eigenlijk geen voet aan de grond heeft gekregen. Wat de EG betreft noemde hij het principe te vaag en te onbestemd voor een sluitende “verticale verdeling van publieke bevoegdheden”.

TOCH KENT DE EG van oudsher allerlei aanknopingspunten voor subsidiariteit. Zo is de uitvoering van gemeenschapswetgeving in beginsel een kwestie van de afzonderlijke lidstaten en niet van de Commissie in Brussel. Maar goed, dat betreft de uitvoering; de werkelijke vraag is hoe de regels tot stand komen. Ook op dit gebied hoeven de bevoegdheden van de EG echter niet altijd exclusief te zijn; er bestaat een heel scala van overlappende, parallelle en aanvullende competenties.

Het grote punt van kritiek is dat het subsidiariteitsbeginsel per definitie geen waardering inhoudt van de beleidsproblemen die door een bepaalde competentiekeuze moeten worden opgelost. En in de praktijk zullen wat Geelhoed noemt “inhoudelijke eisen” juist doorslaggevend zijn. Subsidiariteit hoeft trouwens niet, evenmin als federalisme, een blind automatisme te zijn. Het is al heel wat als de Gemeenschap opereert vanuit de plicht om steeds weer opnieuw voor zichzelf en de lidstaten geloofwaardig te maken - op inhoudelijke gronden - dat iets inderdaad gemeenschapszaak is.

DIT ALLES LEVERT geen pasklaar recept op wanneer Duitsland de soevereiniteit over zijn bier wil behouden en de Heinekens van de EG daarentegen een onmiskenbare gemeenschapstaak zien in het opruimen van hinderpalen voor alternatieve traktaties. Maar het ziet er naar uit dat de Gemeenschap wel veroordeeld is tot subsidiariteit als leidend principe. Het verschil met de VS en de Bondsrepubliek is dat daar de hoogste (federale) wetgever rechtstreeks wordt gekozen en zijn bevoegdheden niet ontleent aan de staten. Dan is het inderdaad voor de hand liggend af te zien van subsidiariteit. De EG ontbeert zo'n zware legitimatie.

En zelfs dan: in de VS zijn ondanks alle federale suprematie de "states rights' een niet kapot te krijgen issue gebleken. En in Duitsland zijn de federale kanselier Kohl en zijn collega's van de deelstaten nog bepaald niet uitgebakkeleid over de externe vertegenwoordiging van Duitse belangen - bijvoorbeeld in Brussel. Het pikante van het S-woord is niet in de laatste plaats dat het niet alleen voor nationale staten geldt, maar ook voor onderdelen daarvan. Het Europa van de regio's, dat is wel het laatste waar Major met Schotland en Wales voor ogen aan denkt. Maar potentie valt het S-woord niet te ontzeggen.