Bush kan zich maar beter terugtrekken; Woorden betekenen voor hen niets, omdat niets betekenis heeft behalve macht en een ambt; Stel dat Bush zou zeggen: barst maar, ik wil gaan vissen en ik heb kleinkinderen

In de aanloop naar de Amerikaan- se presidentsverkiezingen hebben de Republikeinen de mogelijkheid van een nieuwe kandidaat voor het vice-presidentschap diepgaand doorgenomen, en daarbij het tere punt angstvallig vermeden. Veel dringender is namelijk de vraag of George Bush zich niet beter kan terugtrekken uit de race. Een opvallend groot aantal Republikeinen zegt onder vier ogen daarvan voorstander te zijn.

Als Bush kandidaat blijft, gaat hij vrijwel zeker verliezen, misschien zelfs met zo'n groot verschil dat zijn partij aanzienlijke averij oploopt. Als hij wint, wordt zijn tweede ambtstermijn vrijwel zeker nog slechter dan tweede termijnen doorgaans zijn, slechter nog dan zijn eerste.

In de peilingen blijft Bush onder de dertig procent; meer dan 75 procent van de Amerikanen vindt dat de natie “op het verkeerde spoor” zit. Hij ligt meer dan 25 procentpunten achter op Bill Clinton. En minder dan honderd dagen voor de verkiezingen is elk van deze getallen een onheilspellend voorteken. Er bestaat geen precedent van iemand die erin is geslaagd te worden herkozen via zo'n uitgangspositie.

Afgelopen zondag kwam William Bennett, een veteraan uit de regeringen van Reagan en Bush, op de televisie bijna tot een vaststelling waar andere Republikeinen onder elkaar soms geëmotioneerd uitdrukking aan geven: dat een kandidatuur van Bush strikt gesproken zinloos is. Bennett, die heeft geweigerd Bush' campagne te leiden (hij gaat er kennelijk van uit dat de incompetentie van de campagne een weerspiegeling is van de inhoudsloosheid van de regering), zei dat Bush “eens met zichzelf moet praten” en dan moet beginnen met de vraag: “Wil ik dit wel werkelijk?”

Onder de Republikeinen doet een bitter grapje de ronde. Wat is het verschil tussen mafiachef John Gotti en George Bush? Het antwoord: Gotti heeft althans één overtuiging. In feite heeft Bush er ook een: dat hij president moet zijn. Bush is een zielig figuur omdat hij verbijsterd is dat er meer van hem wordt verwacht dan tot dusverre genoeg was: zijn overtuiging dat mensen zoals hij de leiding moeten hebben.

Voor de Republikeinen is het een grimmige paradox dat de reden waarom hij niet aan de race moet deelnemen juist de reden is dàt hij eraan deelneemt. Hij moet niet deelnemen omdat hij er geen reden voor heeft, afgezien van een ambitie die mysterieus genoeg los staat van enig programma. Maar hij doet wel mee omdat hij een openbaar doel als iets ornamenteels beschouwt, simpelweg behorend bij het najagen van een ambt.

Daarom worden in de campagne van Bush en door Bush zelf woorden gebruikt waarmee niet wordt bedoeld iets mee te delen, maar die dienen als hoorbare confetti. Toen Ross Perot nog een bedreiging vormde, werd hij door de campagneleiders van Bush zwart gemaakt: hij was onwetend, labiel, anti-grondwettelijk en een potentiële dictator. Toen Perot zich terugtrok, prezen ze hem opeens als “wijs” en “moedig”. Woorden betekenen voor hen niets omdat niets enige betekenis heeft - dat wil zeggen: niets behalve macht, of liever: een ambt. Ze hebben zelfs de ernst niet die voorvloeit uit het streven naar macht om iets te veranderen.

Bennett bestempelde de retoriek van Bush' campagne over de plotseling wijze en moedige Perot als een staaltje van “schaamteloze en cynische politiek” die “stinkt”. Bennett had een verband kunnen leggen dat Orwell ooit legde: een dergelijke corruptie van de taal wijst op politiek nihilisme.

Bush' kronkelende retoriek is opgehouden amusant te zijn toen ze lang geleden herkenbaar symptomatisch werd voor twee zaken. De ene is het gebrek aan samenhang, dat een openbare persoon die zonder openbare filosofie optreedt schade toebrengt. De tweede is Bush' geloof dat hij geen verbale discipline nodig heeft als hij de Amerikanen toespreekt, omdat het beneden zijn waardigheid is hun om hun instemming te vragen.

Het is voor Bush nu nutteloos om zelfs nog maar te hameren op zijn gezonde voorstellen, voor een beperking van ambtstermijnen, voor een vrije schoolkeuze. Iedereen weet dat hij "voor' die zaken is, op zijn eigen inconsequente manier. Toen hij onlangs nog eens stilstond bij het voorstel voor vrije schoolkeuze werd slechts zijn gebrek aan kennis over dat onderwerp duidelijk. Zoals Teddy Roosevelt eens over William Howard Taft zei: “Ergens bedoelt hij het wel goed”.

Stel dat president Bush zou zeggen: barst maar, ik wil gaan vissen en ik heb kleinkinderen om mee te gaan vissen. Dan zouden er twee dingen gebeuren. De intellectuele claustrofobie van Washington en de Republikeinse Partij zou stante pede verdampen. En tot na de Republikeinse conventie, die op 20 augustus eindigt, zou de vaart verdwijnen de de campagne van het team Clinton-Gore.

Die conventie zou bovendien worden getransformeerd van een zinloos jaknik-instrument - een stukje decor in een campagnespotje waar weinigen naar kijken - tot een zinvolle bijeenkomst waar serieus wordt gedelibereerd en beslissingen worden genomen en waar sprake zou zijn van argumenten en misschien zelfs van gedachten.

De politieke "markt' werkt op het ogenblik goed. Gouverneur Clinton heeft de wind in de rug omdat de Republikeinse partij, zoals exemplarisch wordt geïllus- treerd door de regering en de campagne van Bush, vermoeid en arrogant is. Het smakeloze regeringsbeleid en de campagne vol gescheld zijn niet van elkaar te onderscheiden, zoals blijkt wanneer Marlin Fitzwater, woordvoerder van de president, ten tonele wordt gevoerd om Al Gore uit te maken voor "Mr. Sellout America'.

De Republikeinen die kandidaat staan bij allerlei verkiezingen maken zich steeds meer zorgen over de vraag hoe ze kunnen ontsnappen aan de onderstroom van Bush' zinkende presidentschap. Andere Republikeinen praten over plannen voor een constructieve oppositie. Dan Quayle heeft gezegd dat hij zich zou terugtrekken als hij zou denken dat de kansen van zijn partij daarmee zouden toenemen. Maar verwacht zo'n belijdenis niet van de nummer één op de lijst.

© Washington Post Writers Group