Braaf

Mijn moeder is als gewoonlijk in de hoek van de bank gaan zitten en het duurt maar even of Rekel komt bij haar zitten. Hij kijkt haar smachtend aan. Als ze tegen hem begint te praten, houdt hij geraffineerd zijn kop scheef.

“Die hond,” merkt mijn moeder op, “kijkt net alsof hij je begrijpt.” Maar het is sterker. Hij kijkt net alsof hij begrijpt dat je zojuist iets waanzinnig intelligents hebt gezegd. Met deze manier van kijken krijgt hij iedereen plat, dat spreekt vanzelf. Mijn moeder aait hem over zijn kop. “Braaf,” zegt ze, “hij is braaf.”

“Ma,” zeg ik, “dat heeft met braaf-zijn niks te maken. Hij probeert je van z'n plaats te krijgen.”

Want dat is het: zijn hoekje van de bank. Hij mag alleen in dat ene hoekje, dat weet hij en daar houdt hij zich aan. Wij geloven dat hij zich daar zelfs aan houdt als we er niet bij zijn. Dat weet je natuurlijk niet zeker, dat kún je niet zeker weten, je weet in feite niets van dingen waar je niet bij bent en van dingen waar je wel bij bent eigenlijk ook niet zo veel. Maar waar hadden we het over? De hond. Er zijn aanwijzingen dat hij naar ons luistert als we er niet bij zijn, aanwijzingen dat hij een geweten heeft. Zeker, zo beschouw ik mijn eigen geweten ook, als een soort afstandsbediening in handen van de Baas.