Bosnische vluchtelingen weten niet waar ze terechtkomen

LJUBLJANA, 31 JULI. De vluchtelingen in het centrum van Ljubljana keken hoogst verbaasd toen daar 's middags tegen vijf uur een colonne dure Italiaanse auto's binnen reed. Minister Van den Broek, met zijn vrouw en enkele ambtenaren op reis in Slovenië om samenwerking met deze nieuwe republiek op allerlei niveaus te bespreken, bezocht onverwacht de Roska-kazerne. Enkele van de ruim honderd vrouwen en kinderen die in twee lokalen op een bovenverdieping zijn gehuisvest barstten in snikken uit toen de minister zei zich te realiseren hoe moeilijk hun situatie is: “U hebt alles, ook vaak uw dierbaren, achter moeten laten. Wij kunnen niet al uw zorgen wegnemen, maar samen met de andere landen willen wij werken aan een politieke ontwikkeling die de vrede zal terug brengen.”

Namens de Nederlandse bevolking riep Van den Broek de groep alvast een hartelijk welkom toe: “Wij hopen dat u bij ons de rust vindt om wat op verhaal te komen.” Door een dichte haag van samengestroomde vluchtelingen verliet de Nederlandse minister na ongeveer twintig minuten de kazerne. Kinderen scandeerden luid zijn naam.

Bij het vertrek van de vluchtelingen uit de kazerne vanmorgen was al duidelijk dat het in het bijzonder voor de 167 (kleine) kinderen een zware tocht zou worden. De temperatuur ligt boven de 30 graden, niet elke bus beschikt over een goed werkende airconditioning en rijdt daarom met de deuren open.

Vooraan het konvooi rijdt Hasan Herumovic, hij heeft zijn auto versierd met de vlag van Bosnië-Herzegovina. Herumovic organiseerde het transport vorige week vanuit Zagreb.

Moeders zijn gedwongen hun kinderen op schoot te nemen omdat in elke bus vier of vijf stoelen te weinig zijn. Kinderen zitten of liggen in het gangpad. Al gauw gaan de flessen water van hand tot hand. De vrouwen aanvankelijk gespannen en rechtop zittend dommelen in.

Sheila Akagic (15) vindt het ongemak niet belangrijk. Ze is heel gespannen: “Nee ik voel me niet opgelucht, we weten immers helemaal niet waar we terechtkomen. Ik dacht dat we bij een gezin zouden gaan wonen en nu wordt het toch weer een kazerne. Maar de realiteit is dat wij niks te kiezen hebben”. De uitdrukking op haar gezicht maakt duidelijk hoe wanhopig dit meisje is. Met haar ouders en broertje heeft ze weken geleden de moslimstad Tuzla even ten noorden van Sarajevo verlaten wegens het oorlogsgeweld. Ze is bang dat ze haar vriendinnen van de middelbare school nooit meer zal zien: “Ik heb het idee dat we nooit meer terug zullen gaan naar ons land. Mijn ouders doen wel heel optimistisch maar dat is slechts een houding”. Ze begrijpt niet waarom het een week heeft moeten duren voor de groep verder kon reizen: “minister Van den Broek heeft maandag toch al gezegd dat we mochten komen”.