Alles aan Spanje is eentonig; Mario Praz aanval op hispanofilie vertaald

Mario Praz: De mythe van romantisch Spanje. Vertaling Ike Cialona, nawoord H.M. van den Brink, 255 blz. Uitg. Nijgh & Van Ditmar. Prijs ƒ 49,50

Spanjaarden zijn gepassioneerd; kijk maar naar hun bloeddorst tijdens het stierenvechten of naar hun geloofsijver tijdens de processies van de Heilige Week in Sevilla. Het gepassioneerde uit zich ook in castagnettengeklepper en mystiek, om enkele uitersten te noemen. En het decor voor de vele blijken van een vurig temperament wordt gevormd door ezeltjes of muilezels op weg naar schilderachtige witte dorpen. Zo wil de buitenlander Spanje zien en zo is Spanje in zijn ogen om van te houden. Maar is dat beeld wel juist en als het juist is, is het dan wel zo aantrekkelijk als het lijkt? Volgens de Italiaanse kunsthistoricus Mario Praz in zijn klassieke, nu in het Nederlands verschenen De mythe van onromantisch Spanje (vertaling van Penisola pentagulare, letterlijk: Vijfhoekig schiereiland) is het antwoord tweemaal nee. Het beeld klopt niet of nauwelijks en voor zover het wel klopt is er geen reden om blij te zijn.

Met dit standpunt keert hij zich niet in de eerste plaats tegen de Spanjaarden zelf maar tegen de hispanofielen, de Spanjeminnaars door dik en dun. Hij hoont de goedgelovige toerist en het liefst hoont hij de schilderachtige - dit adjectief bij deze naam is een terugkerende grap - Théophile Gautier, die met zijn beschrijvingen van "romantisch Spanje' ooit de clichés de wereld in heeft geholpen. Praz' typering voor zo'n liefhebber à la Gautier is "pantaurist', iemand die dol is op alles wat het stieregevecht aangaat en dit enthousiasme uitstrekt tot heel Spanje.

Praz houdt niet van Spanje. Het steekt hem dat het wordt vergeleken met zijn Italië, ook latijns en ook zuidelijk, immers. Voor hem is Spanje bij lange na niet zo mooi, rijk of verrassend als Italië. Hij ervaart minstens één klasse verschil. Dat idee had hij al voor hij Spanje voor het eerst, en naar mijn weten voor het laatst, ging bezoeken. Dat was in 1926, lang geleden, en al heeft hij nadien in een inleiding bij een editie van 1954 enkele kanttekeningen bij eerdere uitspraken geplaatst, gewijzigd heeft hij deze niet. Praz ging duidelijk alleen maar naar Spanje om bevestigd te krijgen wat hij al had bedacht en om nuttige beelden te vinden ter staving en kleuring van zijn theorieën.

Openlijk nagaan hoe clichés ontstaan en hoe waar ze zijn, wordt niet veel gedaan, tenminste niet door schrijvers. Het onderwerp is kennelijk niet populair, wat jammer is, want ook taal bestaat noodzakelijkerwijs, op straffe van onbegrijpelijkheid, uit zeker 95 procent geijkte wendingen en formuleringen, en iedere nieuwe ordening vormt een zoektocht naar nieuwe clichés. Zo is het ook in dit boek van Praz. Ieder cliché dat hij verwerpt en ieder nieuw cliché dat hij voorstelt, heeft zijn eigen logica.

Veel ziet Praz niet gedurende zijn zes weken Spanje. In de boeken heeft hij weliswaar gelezen over de verschillen in landschap, taal en atmosfeer, maar hij beperkt zijn aandacht nagenoeg tot Castilië en Andalusië, want dat is het Spanje zoals de toeristen en de romantische literatoren die hen voor waren het graag zien.

Wie aanvalt, gebruikt scheldwoorden of negatieve begrippen. Praz' geliefkoosde negatieve begrip in dit prikkelende en vermakelijke boek is "eentonigheid'. Hij wendt zijn uitgebreide cultuurhistorische kennis met zwier aan om die vermeende Spaanse eentonigheid te verklaren als een logisch gevolg van eeuwenlange Moorse overheersing. De Moorse kunst is voor hem hoogstens interessant als uiting van ambachtelijk kunnen. Zij wordt bepaald door ornamentiek zonder visie, door eindeloze herhaling van steeds weer hetzelfde.

Gitaarmuziek

Uit plezier om zijn vondst probeert Praz de meest uiteenlopende Spaanse zaken onder die ene zelfde noemer te brengen. Het Alhambra, de hoogbarokke bouwkunst, het werk van de oudere Spaanse schilders, de gitaarmuziek, het stieregevecht, de processies tijdens de Heilige Week, de mystiek, het zijn voor hem geen uitingen van passie of esthetiek, maar bronnen van verveling en ergernis. Iedere lezer zal, neem ik aan, op gezette tijden steigeren bij zijn voorbeelden. Zo is het landschap van La Mancha wel eentonig, maar wat heeft dat met de Moren te maken? En is de Sagrada Familia van Gaud niet eerder kitscherig dan eentonig? Hoezeer Praz doordraaft blijkt uit zijn oordeel over Cervantes' Quijote. Spanjes literaire trots en voorspraak, dat hij een aaneenrijging van muilezeldrijvers en spreekwoorden noemt en daarmee een zoveelste typerend voorbeeld van eentonigheid.

In zijn verslag van een stieregevecht en een Heilige Week Sevilla, twee absolute musts voor de pantaurist-toerist, past hij een truc toe, die wel moest werken. Hij doet niet zelf verslag maar laat een fictieve, aanvankelijk positief ingestelde toerist aan den lijve ondervinden wat hij al wist: dat het schouwspel zwaar tegenvalt en doodsaai is. Veel ondoorzichtiger is het dispuut tussen de heren Smallegang en Breedveld over mystiek, ook zoiets Spaans, want al zijn de namen van deze fictieve heren leuk bedacht en beloven ze veel, het abstraheringsgehalte in hun taal is domweg te hoog.

Een gelegenheidskarakter heeft Praz' verhaal of verslag getiteld Inglesitos, de verkleinvorm van het Spaanse woord voor Engelsen. Deze inglesitos zijn ernstig hispanofiel en vooral dol op de Spaanse vrouwen, een enthousiasme dat ze op de schrijver willen overbrengen. Al past dit hoofdstuk binnen de algehele poging blinde Spanje-liefde te ontmaskeren en is het niet ongeestig, het ontstijgt nauwelijks de anekdote en overtuigt hoe dan ook op geen enkele manier, doordat Praz de zaak al te gemakkelijk omdraait. Spaanse vrouwen zijn niet mooi maar lelijk. Praz doceerde gedurende een groot deel van de jaren twintig en het begin van de jaren dertig in Liverpool en Manchester en hij stoorde zich daardoor ongetwijfeld dubbel erg aan het gezwijmel van menig Engelsman over Spanje en de Spaanse schone.

Praz' boek wordt gecompleteerd met een paar hoofdstukken die voor de verandering nauwelijks karikaturaal zijn. Het zijn eigenlijk tamelijk gewone verhalen, die zich overal hadden kunnen afspelen, zoals dat over de chaos die Praz in de kathedraal van Segovia veroorzaakt door aan een koord te trekken. Onverwacht sympathiserend, ten slotte, en intrigerend, is de korte beschouwing over de bruikbaarheid van het beeld dat de Spanjaarden hebben van de Heilige Maagd, als optutbaar knuffeldier of als hartsvriendin.

In een nawoord geeft H.M. van den Brink een overzicht van de geschiedenis van het boek. De verschijning in Italië vond al snel na de bewuste reis in 1926 plaats, zonder enige vorm van voorpublikatie, wat lijkt te bewijzen dat Praz zijn ideeën over Spanje graag geformuleerd wilde hebben voor hij begon aan zijn monumentale Lust, dood en duivel (The Romantic Agony), twee jaar later uitgekomen, want daarin heeft hij Spanje definitief en als vanzelfsprekend overgeheveld van de westerse beschaving naar de oosterse. The Unromantic Spain werd in Engeland overigens beroemd zonder het hoofdstuk over de inglesitos.

Van den Brink geeft niet alleen informatie over het boek, hij levert ook een mooie analyse en genuanceerde kritiek. Zijn oordeel is over het geheel genomen heel positief. Hij wijst er concluderend op dat Praz als goede karikaturist iets essentieels in zijn onderwerp heeft weten te raken. Dat maakt, aldus Van den Brink, De mythe van romantisch Spanje tot “een boek waar ik honderden andere voor cadeau zou willen doen en dat het meeste wat er over het land is geschreven met groot gemak heeft overleefd.” Het zij met instemming geciteerd.