Waterproblemen in het Midden-Oosten

Water is schaars in het Midden-Oosten. Alleen Turkije en in veel mindere mate Libanon hebben een wateroverschot. Daar valt meer neerslag dan de bevolking consumeert. Alle andere landen kunnen het niet stellen zonder het water dat buitenlandse rivieren aanvoeren.

Syrië is voor zijn gerrigeerde landbouw en het opwekken van hydro-elektriciteit aangewezen op het water dat de Eufraat uit Turkije aanvoert. Ook voor Irak is het water van de Eufraat van levensbelang. Toen Assad in de jaren zeventig met Russische technologie in de Eufraat een dam bouwde (de Assad-dam) dreigde Irak met militair ingrijpen. En toen Turkije de Eufraat afdamde met de Ataturkdam en in 1990 de Eufraat afsloot om het stuwmeer te laten vollopen, dreigden Syrië en Irak samen met militair ingrijpen. President Özal beloofde daarop per seconde 500 kuub te zullen doorlaten. Syrië en Irak vinden dat te weinig, maar hebben nog geen militaire actie ondernomen.

Israel is aangewezen op water uit de Jordaan, die gevoed wordt door rivieren uit Libanon, Syrië en Jordanië. Door militaire controle over Zuid-Libanon en annexatie van de Golan-hoogten verzekert Israel zich van de toevoer van water naar het Meer van Galilea, van waaruit het via de National Water Carrier over heel Israel tot in de Negev-woestijn verspreid wordt. Verder voorziet het voor ruim eenderde in zijn waterbehoefte door water op te pompen uit aquifers (watervoerende lagen in de ondergrond) onder de bezette West-Bank. Israel bezet de Golan-hoogten en de westelijke Jordaanoever dus niet alleen voor de militaire veiligheid maar ook om verzekerd te zijn van water.

Door de komst van honderdduizenden Russische joden is het watertekort nijpend geworden. Israel kan alleen in zijn eigen waterbehoeften voorzien door de Palestijnen op een karig rantsoen te zetten en geen toestemming te geven voor het slaan van putten. De Israeliërs krijgen per persoon negen keer zoveel water als de Palestijnen.

Het Palestijnse ongenoegen over de waterverdeling is een belangrijke factor in de Intifadah. Vrede en teruggave van bezette gebieden is voor Israel onaanvaardbaar als het niet op een andere manier kan voorzien in zijn waterbehoefte. Die noodzaak wordt extra groot doordat door overexploitatie van de aquifers onder de West-Bank het zoutgehalte van het opgepompte water toeneemt en daardoor minder bruikbaar wordt als irrigatie- en drinkwater.

Ook de militaire controle over Zuid-Libanon heeft met water te maken. Niet alleen komt er een zijrivier van de Jordaan vandaan, maar stroomt de rivier de Litani er ook doorheen. Het water daarvan zou eventueel via een tunnel naar Israel geleid kunnen worden.

Ook Jordanië is aangewezen op de Jordaan, maar Israel heeft daaruit in de bovenloop al zoveel water afgetapt dat er voor het stroomafwaarts gelegen Jordanië te weinig overblijft. Bovendien krijgt Jordanië steeds minder water uit de rivier de Jarmuk, de grensrivier tussen Syrië en Jordanië die in de Jordaan uitmondt. De Jarmuk wordt gevoed door stroompjes uit Syrië en dit land probeert het water daarvan vast te houden door deze af te dammen. In Jordanië bestond een plan voor een pijpleiding vanuit Irak, die water uit de Eufraat zou moeten aanvoeren. Na de Golfoorlog en de Turkse en Syrische afdammingen van de Eufraat is de uitvoering van dit plan onwaarschijnlijk.

In 1986 lanceerde de Turkse president Özal zijn plan voor een "pijpleiding voor de vrede". Die zou vanuit de Zuidturkse rivieren de Ceyhan en de Seyhan, die uitmonden in de Middellandse Zee, jaarlijks zo'n zes tot acht miljard kuub water moeten vervoeren naar Syrië, Jordanië, Israël, Saoedie-Arabië en Koeweit. Het Amerikaanse ingenieursbureau Brown & Root, dat ook de leiding had over de uitvoering van Ghadaffi's Great Manmade River (lengte eerste fase 1900 kilometer, capaciteit eerste fase 2 miljoen kuub per dag, kosten eerste fase ca. 6 miljard dollar), berekende dat de 6000 kilometer lange leiding ca. twintig miljard dollar zou kosten en het water tachtig cent per kuub.

Arabische landen reageerden sceptisch op Özals plan. Het zou Turkije een veel grote machtspositie geven in de regio. Ze wilden hun oliedollars liever steken in ontziltingsinstallaties, ook al is het water daarvan twee keer zo duur. Gedurende de Golfoorlog bleken deze installaties echter kwetsbaar voor olievervuiling. Bovendien is Saoedi-Arabië erg afhankelijk van het oppompen van fossiel water en die niet-herniewbare hulpbron is binnen tien tot twintig jaar uitgeput.

Deskundigen als de Amerikaanse geograaf prof. John Kolars van het Department of Near Eastern Studies van de Universiteit van Michigan vinden de keuze voor de Turkse riviertjes Ceyhan en Seyhan niet verstandig. Deze rivieren zijn te klein, teveel vervuild, terwijl het water steeds meer voor andere doeleinden gebruikt wordt. Voordeel van deze rivieren is wel dat ze honderd procent Turks zijn en dit land volledige zeggenschap over het water van deze rivieren heeft.

Deskundigen in het internationaal recht vinden dat dat niet het geval met het water in het Turkse deel van de Eufraat en de Tigris. De afdamming van deze rivieren vinden ze een onrechtmatige daad.