Vooral toneel van Ierse en Amerikaanse auteurs boeit in Londen; Shaws "Pygmalion' nog zo goed als nieuw

LONDEN, 30 JULI. Tussen de vele musicals voor het hele gezin die de kritiek nu en dan hoofdschuddend bij elkaar optelt (het zijn er vijftien op het ogenblik) hebben zich deze zomer als altijd in het Londense theater enkele voorstellingen zonder hulp van liedjes onderscheiden. De meeste zijn niet van Engelse auteurs. De voornaamste uitzondering is Alan Bennetts The Madness of George III, vier maanden geleden al besproken, in het National Theatre. Er bestond een zwakke hoop dat John Osbornes Déjà Vu een tweede uitzondering zou blijken; die is niet vervuld.

De hoop op Osborne was zwak omdat het stuk in boekvorm, van de winter gepubliceerd, al gebleken was niet veel waard te zijn. Het zou nooit het West End gehaald hebben als het van een minder bekende auteur was, en niet een vervolg op zijn triomfantelijke entree in de publiciteit zesendertig jaar geleden, Look Back in Anger. Wat nog mogelijk leek was dat Peter Egan vorm kon geven aan de hoofdrol van Jimmy Porter op zestigjarige leeftijd, die Peter O'Toole na lange aarzeling geweigerd had te spelen. Egan is een uitstekende acteur, bij veel televisiekijkers in de herinnering gebleven als Oscar Wilde in de serie over Mrs. Lily Langtry, maar hij heeft Jimmy niet kunnen redden. In 1956 vertolkte het gemopper van de keukenbewoner (daar begon het kitchen-sink toneel mee) de opstandigheid van veel ongezeten burgers. In 1990 is hij een heer met een luxe-woonkeuken geworden die moppert in de overtuiging dat hij het goed kan. Meer vuur brandt er niet in de angry young man van vroeger.

Bij de stukken die aandacht verdienen zijn er vier van Ierse en drie van Amerikaanse auteurs. Twee van de Ierse zijn van Brian Friel: in het Garrick Theatre Dancing at Lughnasa, dat al een jaar loopt, en sinds kort in Wyndham's Theatre een reprise van Philadelphia, Here I Come uit 1964, over een jongen die op het punt staat het dorpsleven van Donegal te verruilen voor de opwindingen van Amerika, en bijna niet durft. In beide stukken komt een schuchter, rusteloos, lachlustig Iers mensentype tot leven dat velen van ons niet wezensvreemd is.

Het derde Ierse werk bestaat al sinds 1914, maar klinkt zo goed als nieuw in het National Theatre: Shaws Pygmalion, het verhaal van de phoneticus en het bloemenmeisje. Misschien zou Shaw veel details van de uitvoering anders gewild hebben, maar hij had moeten erkennen dat de regie van Howard Davies in vorm en toon blijk geeft van de muzikaliteit die hij vereist vond voor zijn stukken. Allerlei details verdienen naverteld te worden. Om één voorbeeld te geven, als Eliza in het herengezin van professor Higgins en kolonel Pickering is opgenomen en de kwelling van het eerste bad van haar leven doorstaan heeft, holt zij gillend van opwinding zwaaiend met een rode sluier een halfronde trap op en af, die zelf ook in beweging is op het draaitoneel. Er zou gedisputeerd kunnen worden over wat zij ermee uitdrukt; waar het om gaat is dat zij er zin in heeft, en het publiek holt in gedachten met haar mee.

Alan Howard is de best denkbare vertolker van Higgins' ergernis over de onnozele eigenwijze wereld om hem heen. Samen met Frances Barber als het bloemenmeisje weet hij bijna de indruk te geven dat de laatste scène, waar Shaw veel teveel probeerde uit te leggen, even onderhoudend is als al de voorafgaande.

De enige geheel nieuwe Ierse bijdrage is Someone Who'll Watch Over Me van Frank McGuinness, dat zich afspeelt in een cel in Beiroet waar drie gijzelaars opgesloten zitten. Een merkwaardigheid van dit stuk is dat het voor een deel werkt als een komedie, een heel bijzondere die niet het routineuze grinniken oproept van toeschouwers als zij betaald hebben om zich te vermaken, maar bij verrassing explosies van gelach teweegbrengt. Dat het in zijn minder jolige passages weergeeft hoe het voelt om in gijzeling te zitten kan niet gezegd worden. Het gaat over moedeloosheid en verlangen en gelegenheidsvriendschap, en brengt zijn toeschouwer in een staat van gevoeligheid die door de vrolijke scènes verbroken maar ook versterkt wordt. Terwijl de drie mannen steeds op dezelfde plaatsen zitten met kettingen aan hun enkels blijft de voorstelling in beweging. Stephen Rea als een ongecompliceerde Ierse journalist heeft de sterkste invloed op de toon; Alec McCowen vertolkt de Engelsman, ouder en met een onzeker gevoel voor humor, die aan het eind alleen overblijft. Het stuk wordt om te beginnen opgevoerd in het Hampstead Theatre, waar het geen langere looptijd dan een week of zes te wachten heeft, maar het zal in het najaar wel ergens anders in de stad verdergaan.

Dat in een maand drie nieuwe Amerikaanse stukken aan het Londense aanbod toegevoegd worden is lang niet voorgekomen. Het kan opgevat worden als een teken dat de Amerikaanse toneelschrijfkunst weer op gang komt, en niet van plan is zich te beperken tot Sam Shepard, David Mamet en Harvey Fierstein.

Een van de auteurs van deze zomer was trouwens ook al bekend, maar die heeft nu juist de kleinste bijdrage geleverd: Richard Nelson met Columbus and the Discovery of Japan, bij de RSC in het Barbican Theatre. Het stuk zou bedoeld kunnen zijn om de grieven tegen Columbus die bij het naderen van het eeuwfeest politically correct gevonden werden te weerleggen met de grootse oude werkelijkheid. Nelsons vorige werk, Two Shakespearean Actors, voerde ons de kleedkamers en de gedachten van de acteurs in. Columbus brengt hij geen stap nader tot het nageslacht. Wij zien hem op een afstand, van het begin wanneer hij zijn subsidie nog moet loskrijgen tot het eind wanneer hij een zilveren harnas aantrekt om het nieuwe land te betreden, en kijken met respect naar de hoofdrol van Jonathan Hyde, die zich goed weert maar minder tot zijn recht komt dan in vroegere rollen zoals die van Valmont in Les Liaisons Dangereuses.

De andere twee Amerikaanse stukken zijn moderner in hun ambitie. Angels in America van Tony Kushner in het Cottesloe Theatre wordt door de auteur aangeduid als nog pas deel I van een groot werk vervuld van homoseksualiteit, Aids, dood en openbaring: het eindigt voorlopig met een engel die neerdaalt en aankondigt dat The Great Work begins. De dialoog vertolkt vitaliteit en wanhoop met een energie die de Engelse taal alleen in het Amerikaans bezit, maar er komt weinig bijzonders aan het licht. Wel is de dramatische handeling onafgebroken spannend en verbazend, des temeer omdat de gay experience op allerlei manieren ter sprake en in het zicht komt, waardoor de voorstelling een meerwaarde heeft als sensatie. In ieder geval loopt het storm in de Cottesloe.

Ik had meer op met Six Degrees of Separation van John Guare, dat carrière gemaakt heeft in New York en nu in het Royal Court Theatre loopt. De hoofdpersonen, een kunsthandelaar en zijn vrouw, leggen in sommige scènes uit en laten in andere scènes zien hoe zij ingepalmd zijn door een mythomaan die in hun huis doordrong en van alles over hen bleek te weten, waarna zij merkten dat hij net zo optrad bij andere mensen. Het is een energiek, scherpgesteld en verbazend stuk, onbezorgd vergeleken bij dat van Kushner. De indringer leek mij buiten proportie, geen levensechte verleider, maar er is veel te beluisteren en te beoordelen. Ook hier draagt een gay element bij aan de stemming van modern leven.

En verder is het wachten op een nieuw stuk van Tom Stoppard dat voor het najaar aangekondigd is.