TIENDE FILM VAN GODARD OPNIEUW UITGEBRACHT; Stapelverliefd op een vagebond

Pierrot le fou. Regie: Jean-Luc Godard. Met: Jean-Paul Belmondo, Anna Karina. Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt.

Al weer jaren lang wordt Jean-Luc Godard, voorzover zijn films de bioscopen nog bereiken, steeds meer een Heilig Monster. Steeds sterker ging zijn werk bestaan uit plaatjes en praatjes, met een overdaad aan pretenties. Niet vernieuwend, niet inspirerend, nooit meer sprankelend en altijd weer vol met het sjaggerijn van de oude zeur. Godard kan alleen nog maar constateren dat de westerse maatschappij in het algemeen en de filmkunst in het bijzonder de verkeerde kant uitholt, terwijl er niemand zo verstandig is nu eens acht te slaan op de wijze raad van de enige mens ter wereld die nadenkt - hij, dus.

Zo langzamerhand zou je vergeten waar Godard zijn reputatie aan te danken heeft. Gelukkig wordt er nu en dan een van Godards "oude' films opnieuw uitgebracht, zoals nu zijn fameuze tiende film, Pierrot le fou (1966). Gewaagd, vrolijk en vernieuwend is Pierrot le fou nog altijd, slechts gedateerd doordat de vrijheid die Godard zich toen permitteerde in de huidige benarde produktie-omstandigheden allang niet meer mogelijk is. Een film uit de goeie, ouwe tijd, toen Godard nog niet ten onder ging aan zijn eigen zwaarwichtige theorieën en drogredeneringen, maar "gewoon' filmde. Spontaan, nauwelijks beredeneerd en prachtig. Zichtbaar genietend van gezicht en stem van Jean-Paul Belmondo. Onweerstaanbaar doordat hij het nog geen schande vond een intense, sensuele romantiek te propageren als de best mogelijke drijfveer voor elk mensenleven.

Het verhaalverloop van Pierrot le fou is secundair. De film volgt een stel dat rovend en moordend van Parijs tot aan de Côte d'Azur rijdt. Er is sprake van wapenhandel, van smokkel en van een crimineel genootschap. Er is veel zeer rood bloed en het geweld is buiten proporties, met scharen door nekken, lijken waar niemand van opkijkt of naar omkijkt en een onbevattelijke knal aan het slot die het woord zelf-Moord nieuwe inhoud geeft. Een thriller, zou je zeggen, maar de inzet blijft tot en met het slot van de film onduidelijk en dat stoort niet.

Pierrot le fou schijnt ook deels een zelfportret te zijn, waarin Godard het mislukken van zijn huwelijk met hoofdrolspeelster Anna Karina verwerkte. Als dat zo is, legde hij zichzelf in Fernand (Jean-Paul Belmondo), die door zijn liefje Marianne (Anna Karina) steevast Pierrot wordt genoemd. "Pierrot le fou' om precies te zijn, waarbij dat "gek' staat voor "stapelverliefd'. De vrouw sleurt de man zonder pardon weg uit de existentiële benauwenis van het bourgeoisbestaan, waar iedereen in reclame-teksten spreekt en hij gek wordt van verveling. Pierrot/Fernand is een geboren vagebond net als zij, alleen kan hij het niet laten om alles wat hij ziet en ervaart te vertalen in bespiegeling. Hij leest liever dan dat hij naar een plaat luistert, hij schrijft liever dan dat hij zich met Marianne verstaat, hij speelt het liefst met de woorden die zij gebruikt, om hem te verleiden zich eens uit te leveren aan directe emoties. Nu is het Marianne die zich verveelt: “We houden op met Jules Verne, we beginnen een politieroman”. Met die wens eet ze van de verboden appel. Ze moeten weg uit hun paradijs aan het water, waar hij zat te schrijven met een papegaai op zijn schouder, waar zij vissen ving aan een staak en waar een woestijnvosje hun ontbijttafel opvrolijkte. Weg, naar de bewoonde wereld, naar verraad, geweld en dood. Onstuitbaar op weg naar hun scheiding.

Meer dan met het verhaal maakt de film indruk door de luchthartige manier waarmee Godard, in bewonderenswaardige samenwerking met cameraman Raoul Coutard, experimenteerde met manieren van vertellen. Hij stoeit met kleuren, met geluid, met een plotseling opklinkend chanson waarmee Marianne de situatie schetst: een liedje over de korte gelukslijn in haar hand bijvoorbeeld. En kan film een gebeurtenis samenvatten, zoals een bladzijde uit een boek dat mogelijk maakt? Godard toont één ruimte waar figuren in en uitlopen, terwijl we telkens een beslissend moment verder in het verhaal arriveren. De tijd wordt verdicht en inderdaad zijn we binnen een minuut op de hoogte van een affaire die anders een scène of zes had gekost. Ook zet hij dialogen onder schilderijen van Picasso en Renoir, en onder plaatjes uit stripverhalen. Hun sfeer doet de rest. Het mooist zijn de ogenblikken van verdwijnen en verschijnen: een auto die met een plons onder de tot aan de einder eenzaam glinsterende zeespiegel verdwijnt; of Belmondo die één is geworden met zand en zout water.