Onderzoekers vergelijken Europese regio's; Economisch wonder in de Alpen

ROTTERDAM, 30 JULI. Van alle regio's in Europa vertoont het Alpengebied de snelste groei. Zuid-Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Oost-Frankrijk en Noord-Italië zullen op de middellange termijn (tot 1996) sterker van de voortschrijdende integratie in West-Europa en de toenadering tussen Oost- en West-Europa profiteren dan de rest van het continent.

Dat is de voornaamste conclusie uit het rapport European Regional Prospects dat onlangs is uitgebracht door het European Economic Research and Advisory Consortium (ERECO), een samenwerkingsverband van zeven vooraanstaande onderzoeks- en adviesbureaus, waaronder het Nederlands Economisch Instituut (NEI) in Rotterdam.

Van de steden die tot het Alpengebied worden gerekend zullen München en Wenen volgens het rapport tussen 1989 en 1996 de grootste groei vertonen: 3,9 procent. Zij worden op de lijst van snel groeiende steden in Europa gevolgd door Bologna (3,6 procent), Lyon (3,5 procent), Stuttgart (3,4 procent), Milaan (3,2 procent) en Turijn (3,0 procent). De gemiddelde groei van de 32 onderzochte steden zal de komende jaren liggen op 2,9 procent.

Volgens I.J. Boeckhout, hoofd Regionale en Stedelijke Ontwikkeling van het NEI, moet de verklaring voor de relatief snelle ontwikkeling van de Alpenregio's onder andere worden gezocht in het feit dat deze steden ver van concurrerende centra liggen en tevens een zeer centrale positie in Europa innemen. “Zij zijn daardoor dubbel aantrekkelijk voor bedrijven: goed bereikbaar en meestal nog relatief goedkoop”, aldus Boeckhout. Onderzoek toont echter aan dat dit snel verandert: de huur per vierkante meter is vorig jaar in de Alpenregio 2,5 procent gestegen ten opzichte van 1990. In "oude' steden in het traditionele zakenhart van Europa daarentegen daalde de huurprijs van kantoorruimte: in Parijs met 10 procent, in Londen met 25 procent.

Een ander voordeel van deze regio's, volgens Boeckhout, is de afwezigheid van oude industrieën, die remmend werken op de ontwikkeling. “In tegenstelling tot gebieden als Noord-Frankrijk, Wallonië en Lotharingen, die worden gedomineerd door verouderde industrie en daardoor minder dynamiek kunnen ontwikkelen, zie je dat de "nieuwe' centra zich veelal ontwikkelen tot "technopools': kernen van wetenschap en techniek. Voor een deel gebeurt dat overigens ook in de oude industriegebieden. Lille bijvoorbeeld, ooit een van de centra van de Franse mijnbouw, moet door de enorme stedelijke vernieuwing, de vestiging van high-tech bedrijven, zakelijke diensten en de universiteit de economische kar trekken in het achtergebleven Noord-Frankrijk.

Als voorbeeld van een gebied met veel zware industrie dat zich toch goed ontwikkelt, noemt Boeckhout het Ruhrgebied. “De reorganisatie van de staalindustrie is daar goed geslaagd en het Ruhrgebied geldt nog steeds als een zeer sterke economische factor.”

Uit onderzoek van het NEI is gebleken dat gebieden met veel high-tech-industrie aantrekkelijk zijn voor investeerders. Een voorbeeld van die magneetwerking is het gebied rond Lyon en Grenoble, waar de universiteiten technologische bedrijven aantrekken die zich vestigen in zogenoemde scienceparks. Boeckhout: “Op die manier zie je steeds vaker klusters en specialisaties ontstaan.” Als voorbeeld noemt hij ook München, waar universiteiten, auto-industrie (BMW), vliegtuigindustrie en elektrotechniek (Siemens) dicht bijeen zitten.

Een andere belangwekkende voorspelling in European Regional Prospects is dat Madrid en Berlijn tussen 1990-96 de steden met de grootste economische groei in Europa zullen zijn. Zij nemen respectievelijk de eerste en de tweede plaats in op de ranglijst van 32 steden. Voor een deel hangt dit samen met de verwachte voortrekkersrol die Spanje en Duitsland de komende jaren zullen spelen in de Westeuropese economie, zoals blijkt uit het ERECO-rapport Europa in 1996. Wordt voor de hele EG een gemiddelde groei op jaarbasis voorspeld van 2,6 procent, in Spanje zal dat naar verwachting uitkomen op 3,3 procent per jaar en in Duitsland op 3,1 procent per jaar.

Berlijn heeft haar groei vooral te danken aan de functie van "poort tot Oost-Europa', volgens Boeckhout. “Bovendien is het de nieuwe nationale hoofdstad, wat veel bedrijven aantrekt. En vergeet niet dat Berlijn in de vorm van West-Berlijn al vóór de Duitse eenwording een enorm potentieel in huis had.” De prijzen van kantoorruimte in Berlijn zijn vorig jaar 30 procent gestegen.

Dezelfde "poortfunctie' heeft het economisch enigszins achtergebleven Hamburg weer tot leven gewekt. Door de eenwording heeft de stad haar achterland terug en is het met een jaarlijkse groei van 3,5 procent een van de belangrijkste economische pijlers van Noord-Duitsland geworden. Volgens Boeckhout is het nog te vroeg om de invloed van een "open' Oost-Europa te meten voor de rest van Europa.

Madrid is samen met Barcelona (groei 3,7 procent) bezig met een inhaalslag voor Spanje. Met name op sportief (Olympische Spelen) en cultureel gebied (o.a. wereldtentoonstelling) maakt het land dit jaar furore. De rest van Spanje blijft, met een gemiddelde groei van slechts 2 procent, achter bij Madrid en Barcelona.

Uit de snelle groei van Spanje en Noord-Italië mag echter niet worden geconcludeerd dat het economisch zwaartepunt van Europa naar het Zuiden verschuift, meent Boeckhout. “Zuid-Italië, Griekenland en Portugal liggen nog ver achter bij de rest van Europa. Je moet de snelle groei in sommige delen van Zuid-Europa zien al een soort aanwas: industriële activiteiten bijvoorbeeld nemen sneller toe in het zuiden dan elders. Andere activiteiten, zoals hoogwaardige zakelijke diensten, nemen daarentegen weer sneller toe in delen van Noordwest-Europa. Er is dus sprake van accentverschuivingen. Maar de algemene tendens is toch dat bedrijven de traditionele industriegebieden in Europa opzoeken, de band die zich uitstrekt van Midden-Engeland, Londen en de Benelux naar het Ruhrgebied en Noord-Italië.

Ronduit slecht op de ranglijst van Europese steden scoort Londen. Met 1 procent groei blijft de Britse hoofdstad ver achter bij de andere Europese steden en andere Britse steden als Glasgow, Manchester en Birmingham. Van de Kanaaltunnel verwacht Boeckhout geen wonderen. “Het is nog maar zeer de vraag of Londen goed wordt aangesloten op het TGV-net.”

Ook Amsterdam blijft achter: de hoofdstad komt met 2 procent groei per jaar op de 28ste plaats, nog net vóór Athene, Manchester en Londen. Rotterdam blijft met 2,8 procent groei net onder het gemiddelde en neemt daarmee de 16de plaats in. Utrecht staat op de 20ste plaats. Boeckhout verklaart de zeer middelmatige score van de Nederlandse steden vooral uit het relatieve achterblijven van de nationale groei. De Randstad staat op het punt van transport en logistiek sterk maar laat bijvoorbeeld qua bereikbaarheid en bestuurlijke eenheid te wensen. Dit komt zonder meer uit een recent NEI-onderzoek waarin de Randstad is vergeleken met andere Europese agglomeraties. Aan plannen geen gebrek, maar wel aan daadkracht, aldus Boeckhout.