Koopmanshoed

Op 8 januari 1632 hield Caspar Barlaeus in het nieuwe Athenaeum Illustre van Amsterdam zijn intree-rede onder de titel "Mercator sapiens, De wijze koopman ofwel reden over de band tussen de handel en de studie van de wijsbegeerte'. Een hele mooie rede weliswaar, maar of die band nu ook intensief gepraktizeerd werd, valt te betwijfelen. Amsterdam zat in de hoogconjunctuur van de internationale commercie, was zelfs een wereldmetropool in dit opzicht door zijn geweldige en nog steeds groeiende scheepvaart. Maar de bloei der wetenschappen hield niet over.

Was er misschien in de handelsfirma van de familie Spinoza sprake van de door Barlaeus gelegde relatie? Michael Despinosa, de vader van onze Benedictus, die in zijn jeugd Bento werd genoemd, deed kennelijk succesvolle zaken met de import van gedroogde zuidvruchten. Hij had een flinke bankrekening; in 1652 liep die zelfs op tot het bedrag van ƒ 61883,00 guldens. Ook weten wij dat zijn bijdragen aan de Beth Jacob gemeente, waartoe hij behoorde, vrij hoog waren. Uit de vele functies die hij in de joodse instellingen bekleedde, mogen we opmaken dat hij de handel meer met de religie dan met wetenschap verbond.

Na de dood van Michael (28 maart 1654) nam zoon Bento met Gabriel de zaak over, die toen werd omgedoopt in de firma "Bento y Gabriel Despinoza'. Door de eerste Hollands-Engelse zeeoorlog (1652-1654) was de scheepvaart nogal belemmerd en was de internationale handel wat gestagneerd. Desalniettemin blijken er ook onder het bewind van Bento flinke bedragen om te gaan. Uit niets valt op te maken dat er bij de jonge firmanten aandacht voor zoiets als filosofie is. Men krijgt eerder de indruk van het tegendeel. Een aantal notariële akten, die aan de malende tand des tijds ontsnapt zijn, laat ons zien dat de 22-jarige Bento zijn zaken niet verwaarloost ten gunste van hogere bespiegelingen.

Een zekere Anthonij Alveres is hem in april 1655 het forse bedrag van 500 guldens schuldig. Toen de betaling - het ging om een te verzilveren wissel - na de nodige aanmaningen steeds maar uitbleef, nam Bento Spinoza zijn toevlucht tot het gerecht. Hij verzocht om Alveres een dagvaarding te sturen en wachtte geduldig het vonnis af. Alveres probeerde hem toen af te schepen met een cheque van ƒ 200,-, die nota bene evenmin incasseerbaar bleek te zijn. Daaropvolgend laat Bento hem op 4 mei met een notariële akte in gebreke stellen. Met getuigeverklaringen laat hij vastleggen, dat hij herhaaldelijk aan zijn schuld herinnerd is, dat hij keer op keer de betaling heeft uitgesteld, zeggende dat het geld na drie dagen of een week zou komen. De beloften waren niet meer geweest dan schone woorden. Aan het verzoek van een tussenpersoon om dan met juwelen te betalen, werd ook niet voldaan. Met dit document was Bento in staat om de schuldenaar te laten arresteren. Dit werd uitgevoerd op 7 mei. Wat er toen gebeurde lezen we in de akte van een andere notaris, waarin de dienaren van de Amsterdamse schout plechtig en naar waarheid verklaarden, dat zij op verzoek van Bento Despinosa, "koopman alhier', de persoon van Anthonij Alveres wegens zijn schuld hadden gearresteerd en gebracht naar het café "De vier Hollanders' in de Nes, om aldaar de betaling te laten effectueren. Spinoza werd er vervolgens bij geroepen om met hem tot een overeenkomst te komen. Doch toen hij bij het café aankwam, “sloeg genoemde Anthonij Alveres de klager met zijn vuist op het hoofd, zonder dat deze ook maar iets gedaan had of een woord terug zei”. Even later, toen Spinoza het geld ter bestrijding van de onkosten der arrestatie, was wezen halen, werd hij gemolesteerd door Gabriel Alveres, een broer van Anthonij, “zodat zijn hoed neerviel en genoemde Gabriel die hoed opraapte, neersmeet in de goot en vertrapte”. Men kan zich voorstellen dat de gemoederen erg verhit waren geraakt. Uit de vierde en laatste akte betreffende deze zaak kan men concluderen dat er inderdaad een betalingsregeling getroffen kon worden waar beide partijen mee akkoord gingen. Ook werd door de gebroeders Alveres de schade aan Bento's koopmanshoed vergoed, zodat hij zich een nieuwe kon aanschaffen. Bento betaalde de rekening van de kastelein.

Spinoza was kennelijk met hart en ziel koopman. Als het er op aankwam stond hij op zijn strepen. Maar hij ervoer ook de felheid van het winstbejag bij menige kameraad of concurrent. Het is niet onmogelijk dat juist de beschreven ervaring hem tot het inzicht bracht, dat een andere levensinstelling te verkiezen is. De eerste woorden van de oudste tekst die wij van hem bezitten, vermoedelijk geschreven in 1657 of 1658, luiden: “Nadat de ervaring mij gereerd had...” Een van die lessen betrof de gevaren van de hebzucht. “Al die dingen... zijn menigmaal de oorzaak van de ondergang van hen die ze bezitten en altijd de oorzaak van de ondergang van hen die erdoor worden bezeten. Zeer talrijk immers zijn de voorbeelden van hen, die een vervolging tot de dood toe hebben ondergaan omwille van hun rijkdommen, en ook van hen, die om zich schatten te verwerven, zich zozeer aan gevaren hebben blootgesteld, dat zij hun dwaasheid uiteindelijk met hun leven hebben moeten bekopen.”

Spinoza's bijdragen aan de synagoge namen geleidelijk af, tot het nulpunt zelfs en dat vele maanden voordat hij geëxcommuniceerd was. Een nieuw leven, gewijd aan de wetenschap, had een aanvang genomen.