K. Schippers over paardesport

Het is overbodig dat een paard aan een menselijke wedstrijd deelneemt. Het behaalt de overwinning alleen wel. De sprong met een ruiter over een witte balk, een kunstmatige sloot of een misschien wel echte haag is zeker gedurfd. Maar kijk eens naar die duizenden nergens voorgeschreven bewegingen op de purperen heide van Devon of het witte land van de Camargue.

Geen bewust geplaatste hindernis te bekennen en toch verslaat het paard zijn hele omgeving. Het beheerst de grond, de wind, het water, de lucht, geen richting is te ingewikkeld, nooit komt het aan op de plek waar het niet wil zijn.

Als het even stilstaat zien we heel duidelijk wat het meeneemt in zijn vlucht. Het androgyne oog met zwart potlood aangezet. Mascara op de wimpers boven die blik van mos en velours. De jongensborst, de meisjesrug, de billen van een zestienjarige. Ook de geur gaat mee, wordt in die onbestemde galop alleen maar scherper. Het vetste zweet, vooral in de haardos tussen de oren, is het extraatje dat straks vrijgevig aan de stal wordt geschonken.

Dat uiterlijk komt zo goed van pas in een sportwedstrijd. Hoe meer het dier dan op een mens lijkt hoe beter. Ook de ruiter doet er zijn voordeel mee.

Die zou de hindernis alleen kunnen nemen. Of krijgt hij er dan geen hand voor op elkaar? Misschien wel als hij probeert de beweeglijkheid van het paard te evenaren. Dat plotseling vaart nemen, het zwenken op het toppunt van snelheid, het slim laten neerkomen van de hoeven in een onzichtbare stand.

Voor de ruiter zouden de door Edward Muybridge genomen werkfoto's van een dravend paard prachtig studiemateriaal kunnen zijn. Die bekijkt hij niet. Diep in zijn hart weet hij dat het talent van het paard boven zijn macht gaat.

Daarom moet de ruiter ervoor zorgen dat het paard zijn gelijke wordt. Voor zijn succes heeft hij het nu eenmaal nodig.

De gelaatsuitdrukking is er al. Nu nog de rest. Jaloers oefent hij eindeloos met het dier. Wat hebben die benen toch een waanzinnige ritmiek! Die moet verschrompelen tot de tweekwartsmaat van een trekpop.

En het lukt ook nog. De ruiter zit op het paard. Kijk nu eens naar de stijve bewegingen van het dier. Die stramme knie. Het hopeloos geheven achterbeen. De korte sprong op bevel.

Heel slim wordt het publiek begoocheld. Het denkt dat de ruiter het onmogelijke volbrengt, hij stijgt op tot de grote hoogte van het paard. Maar in werkelijkheid is de hele gratie van het dier weggewerkt, teruggebracht tot het beperkte kunnen van de menselijke ledemaat.

Daar loopt een dierlijke marionet. Hele velden kan het paard overwinnen, maar het vertoont zijn afgedwongen kunsten op een armzalig terreintje. Met een slag van een hoef kan het de kop van de ruiter verbrijzelen, alleen niet in gevangenschap die zich voordoet als een beminnelijke vriendschap tussen het dier en zijn berijder.

Er is één uitweg: de val. Soms lijkt het of het paard die ook zoekt, of het z'n kans afwacht om zich aan de regels van de sportwedstrijd te onttrekken. Eerst verzamelt het braaf zijn punten om tegemoet te komen aan de intelligentie die hem wordt toegedicht. En dan ineens is de sloot te breed, de balk te hoog of een andere hindernis onneembaar.

De ruiter wordt afgeworpen, de benen, het lijf en het hoofd van het paard stempelen de grond. In die paar seconden, het opstaan meegerekend, worden alle begrippen zichtbaar die met zoveel moeite zijn uitgedreven.

De flanken dalen en stijgen hoofs, niets kan mooier terugkeren naar z'n vertrouwde ooghoogte.

Het lijnenspel van de benen, een verstrengeling van richtingen, in een paar ogenblikken gaat het dier alle kanten op.

Nu staat het publiek oog in oog met de kern van snelheid, zwenken, kracht en hoogmoed.

In dit reglement is de val het gat naar het sublieme.