Het baasje

Laten we iets lezen met ijsblokjes. Het dagboek van Robert Falcon Scott. Scott wou naar de Zuidpool.

Het zit ons niet mee, weer was het geluk ons niet gunstig gezind, weer een dag vol tegenslagen, ik heb het geluk bepaald niet aan mijn zijde, onze verliezen worden steeds groter, als dit blijft duren vrees ik het ergste - dat was de expeditie van Scott, maar ik wou het over zijn honden hebben.

Op 18 februari 1911 verdween bijna een heel span honden in een ijskloof, dat wil zeggen: Osman, de leider van het span, bereikte de overkant, de slede stond nog vóór de kloof, de rest hing ertussenin. De honden werden twee aan twee opgehesen en losgesneden van het tuig. Zo werden elf van de dertien gered.

Voor de laatste twee liet Scott zich aan een touw twintig meter diep in het ijs zakken, waar ze werden aangetroffen op een sneeuwbrug: “...daar lagen beide honden vredig opgerold te slapen; ze hadden gelukkig niets gebroken en waren erg blij toen ze mij zagen.”

Dat moet je je voorstellen. Twee honden tuimelen in een gletsjerspleet. Ze kunnen geen kant op. Ze denken: nou, dat is dan zeker de bedoeling, rollen zich op en vallen in slaap. Als uiteindelijk hun redder verschijnt, beginnen ze te kwispelen. Kijk eens aan, daar heb je Scott! Dit moet wel ongeveer het meest argeloze kwispelen in de geschiedenis van de hondheid zijn geweest.