Elektrotechnisch ingenieur hier en elders

De opleidingen tot elektrotechnisch ingenieur in Delft, Eindhoven en Enschede, in Gent en Leuven (België), in München (Duitsland), in Göthenburg en Lund (Zweden) en in Zürich (Zwitserland) voldoen aan de eisen die in de Verenigde Staten de Accreditation Board for Engineering and Technology stelt aan de titel Master of Electrical Engineering.

Bij de opleiding in Londen twijfelt de commissie die in opdracht van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten de verschillende opleidingen met elkaar vergeleek.

Ook bij de opleiding informatietechniek van de Eindhovense universiteit zet de commissie vraagtekens. Niet omdat deze opleiding van onvoldoende niveau zou zijn, wel omdat er te weinig in terug te vinden is van wat typisch is voor een opleiding tot ingenieur. Met name aan de integratie van disciplines en aan het technisch ontwerpen zou volgens de commissie nog het nodige ontbreken.

De commissie vindt de Nederlandse opleidingen erg specialistisch. Te weinig vindt zij in de curricula andere, niet onmiddellijk op de elektrotechniek betrekking hebbende (algemene) ingenieursvakken. In Delft wordt er, net zoals aan de twee Zweedse opleidingen, veel te weinig aandacht besteed aan de niet-technische vakken. Voor ethiek, sociale wetenschappen, economie en dergelijke zou in het curriculum vijf procent van de tijd moeten worden ingeruimd meent de commissie.

De Nederlandse opleidingen hebben, althans formeel, na Engeland de kortste cursusduur. In Zweden en Zwitserland is die 4,5 jaar en in België en Duitsland 5 jaar. Toch doen de Nederlandse studenten, samen met die in Lund en München, het langst over hun studie: zo'n 5,8 jaar. In Chalmers is dat 4,9 jaar en in België 5,3 jaar.

De Nederlandse student besteedt per jaar ook verreweg de minste tijd aan zijn studie: 1.400 uur per jaar tegen 1.600 uur in Lund en tussen de 1.800 en 2.100 uur aan de andere opleidingen. In München zijn na zes jaar studeren relatief de minste studenten ingenieur: 38 procent. Aan de Nederlandse opleidingen is dat percentage volgens de commissie 43. Elders loopt dat uiteen van 56 (Lund) tot 68 (in Gent). In België en op Chalmers studeert de helft of meer van de studenten af in de tijd die daarvoor staat. In Nederland is dat maar zo'n vijf procent en in München is het nauwelijks beter: acht procent.

De commissie vindt dat de Nederlandse faculteiten te veel tijd in het onderzoek steken. Dat gaat ten koste van het onderwijs. In Nederland geven de hoogleraren ook veel minder dan in de meeste andere opleidingen onderwijs in de eerste jaren van de studie. De commissie noemt het belangrijk dat dit verandert: in de eerste jaren hoort het onderwijs juist door de beste mensen gegeven te worden. Daar horen dus ook de hoogleraren bij. Aan de Nederlandse faculteiten werkt, in vergelijking met de andere opleidingen, erg veel ondersteunend personeel.

Grote zorg maakt de commissie zich over de dalende belangstelling voor de studie tot elektrotechnicus. Overal in Europa neemt het aantal studenten dat elektrotechniek kiest af. Aan alle faculteiten die bij het onderzoek betrokken zijn is het aantal vrouwelijke studenten erg laag. Aan de Belgische en Zweedse opleidingen is zo'n tien procent van de studenten vrouw, elders veel lager. Op Zwitserland na scoort Nederland het laagst. Volgens de commissie is het imago van de studierichting ronduit slecht. Het vak heet moeilijk, saai, theoretisch te zijn. De opleidingen moeten fors gaan investeren in goede voorlichting om dit beeld om te buigen.