Deutsches Museum heeft weer spectaculaire afdeling astronomie

Hoe zouden de Oostduitsers de Brandenburger Tor hebben gezien wanneer zij daar in december 1989 met een snelheid van bijna die van het licht op af waren gestormd? Bij zo'n snelheid wordt het bouwwerk door de effecten van de relativiteitstheorie onherkenbaar vervormd. Het resultaat is als computersimulatie te zien in de geheel vernieuwde afdeling astronomie van het Deutsches Museum in München.

Met deze nieuwe afdeling is eindelijk de draad weer opgepakt die tijdens de oorlog was verbroken. Het museum was aanvankelijk spraakmakend op het gebied van de astronomie, vooral door het speciaal voor dit museum ontwikkelde projectieplanetarium. Maar in de oorlog werd deze afdeling verwoest en bleven de opgelapte restanten 45 jaar lang een "overgangsstadium naar een nieuwe, grote afdeling'.

De nieuwe afdeling werd geopend op 7 mei 1992, precies 67 jaar na de opening van het Deutsches Museum von Meisterwerken der Naturwissenschaft und Technik zelf. De oprichter en eerste directeur, elektrotechnisch ingenieur Oskar von Miller (1855-1934), wilde een museum dat niet alleen wetenschap en techniek diende, maar ook het grote publiek. Het getoonde moest zowel intrigeren als verhelderen en daarom moesten de bezoekers zo veel mogelijk bij alles wat zij zagen worden betrokken.

Miller had succes en zijn ideeën werden al snel overgenomen door andere technische musea in Europa en de Verenigde Staten. H.W. Dickinson, van het Science Museum in Londen, vond dat "Miller zo veel introduceerde dat nieuw was op het gebied van de museumtechniek, dat men mag zeggen dat hij de houding van het grote publiek ten aanzien van musea fundamenteel heeft veranderd'. Miller maakte het museum tot iets "dat leeft en stimuleert en dicht bij het dagelijks leven staat'.

Dit streven van Miller bleek ook heel duidelijk op het gebied van de astronomie. Hier had men de gebruikelijke hemelglobes, meetinstrumenten, telescopen en planetaria (modellen van het zonnestelsel), maar ook twee planetaria (gebouwd door Carl Zeiss Jena) waar de bezoekers in konden staan.

Het eerste model bestond uit een ruimte waarin men op een "aardwagen' om de zon bewoog en met een periscoop de bewegingen van de planeten en hun manen gadesloeg. Het tweede was een koepel waarvan op de binnenwand de bewegingen van sterren en planeten werden geprojecteerd: het eerste projectieplanetarium.

De natuurgetrouwe weergave van de hemelverschijnselen en de didactische mogelijkheden van dit tweede model overtroffen alle verwachtingen, waardoor het letterlijk storm liep op dit "Wonder uit Jena'. En al snel werden ook in andere grote steden in Europa en daarbuiten projectieplanetaria gebouwd.

Vernieuwing

Na de verwoestingen van de oorlog kon het museum het thema astronomie slechts op een uiterst bescheiden schaal presenteren. Het aantal getoonde voorwerpen was ruwweg ééntiende van dat van de afdeling fysica en vrijwel alles had betrekking op de klassieke plaatsbepaling van sterren en planeten. De sterrenkunde ging hier niet verder dan ruwweg het jaar 1800.

Volgens Jürgen Teichmann, wetenschappelijk medewerker, heeft de vernieuwing van deze afdeling zo lang op zich laten wachten doordat in de afgelopen decennia steeds aan technische afdelingen voorrang werd gegeven, zoals de zeer kostbare afdeling lucht- en ruimtevaart (die nu overigens ook nodig aan vernieuwing toe is).

Pas vijf jaar geleden namen de plannen voor vernieuwing concrete vormen aan. Belangrijke steun kwam van onder andere het Max-Planck-Instituut für Astrophysik en de Europese Zuidelijke Sterrenwacht (ESO), beide in Garching bij München. Astronomen van deze instituten hadden er regelmatig op gewezen dat "hun' wetenschap in zo'n beroemd museum toch niet op zo'n ondermaatse manier kon worden gepresenteerd.

De nieuwe afdeling astronomie kan met recht een juweel worden genoemd: de achterstand is méér dan alleen ingehaald. Kosten nog moeite zijn gespaard om de volledige ontwikkeling van de astronomie in beeld, woord en geluid te presenteren. Niet alleen de historie, maar ook de meest actuele ontwikkelingen komen uitvoerig aan bod.

De afdeling is niet chronologisch ingedeeld, wat in musea vaak gebruik is, maar op grond van de vragen die vanuit een geïnteresseerd lekenpubliek kunnen worden verwacht: hoe groot is het heelal, hoe zit het melkwegstelsel in elkaar, waar komt de energie van zon en sterren vandaan, hoe komen wij eigenlijk aan al die kennis, hoe werkt een radiotelescoop?

Op grond van deze uitgangspunten is de afdeling ingedeeld in negen thema's. Bij elk thema worden de instrumenten getoond die bij de ontwikkeling er van een rol hebben gespeeld: van schitterende oude messing-en-staal-instrumenten uit het tijdperk van positiemetingen tot hoogstandjes uit het huidige tijdperk van computergestuurde telescopen, astronomische satellieten en ruimtesondes.

Kootwijk

Verscheidene instrumenten zijn als echte blikvangers geëtaleerd, zoals de gedetailleerde maquettes van de sterrenwachten van Tycho Brahe en Johannes Hevelius, het segment van de radiotelescoop waarmee Penzias en Wilson in 1964 de kosmische achtergrondstraling ontdekten, het instrumentarium van de Duitse röntgensatelliet Rosat en de eerste proefopstelling van een "actieve' (dat wil zeggen zichzelf corrigerende) telescoopspiegel.

Van Nederlandse herkomst is onder andere een in het midden van de 18e eeuw door J. van der Bildt uit Franeker gebouwde lenzenkijker. Een uit Kootwijk afkomstige Würzburg-radiotelescoop, waarmee na de oorlog in ons land de spiraalstructuur van het melkwegstelsel werd ontrafeld, wordt op het binnenterrein van het museum herbouwd en zal begin 1993 gereed zijn.

Om de werking van dit fraais te verduidelijken is op grote schaal gebruik gemaakt van diorama's, video-opnamen, interactieve displays en modellen. Men kan instrumenten in werking zetten en zelf metingen verrichten: afstanden van sterren bepalen, snelheden van sterrenstelsels meten, de aberratie van het licht afleiden, of het Dopplereffect meten.

Bij het stimuleren van deze "zelfwerkzaamheid' heeft men bewust proberen te voorkomen dat er alleen maar wat op knoppen wordt gedrukt. Er is enige moeite voor nodig om uit te vinden wat nu precies de bedoeling van zo'n hands on display is. Is deze "drempel' eenmaal genomen, dan zal men ook wel de moeite kunnen opbrengen om het experiment verder af te maken.

Hier klinkt nog duidelijk de waarschuwende stem door van de toenmalige wetenschappelijk-directeur Hermann Auer, die in de jaren zeventig wat verbitterd opmerkte dat "vele bezoekers, in het bijzonder jonge mensen, blijkbaar minder geven om het vergroten van hun kennis door het testen van hun intelligentie, dan om het vermaak dat men put uit het zomaar wat met de apparaten spelen'.

In deze nieuwe afdeling hebben ook de meest actuele thema's in de sterrenkunde, zoals beeldbewerking, gravitatielenzen en zwarte gaten, een plaats gekregen. Verschijnselen als de vervorming van ruimte en tijd zijn natuurlijk moeilijk weer te geven, maar met behulp van computersimulaties komt men een eind op weg. Zo ziet men wat er gebeurt als men in een zwart gat komt, met bijna de lichtsnelheid door het heelal vliegt, of door de Brandenburger Tor.

Aan de bouw van deze nieuwe afdeling, op het Museuminsel in de Isar, is ruim vijf jaar gewerkt. De totale kosten bedroegen 2,5 miljoen DM (zonder de waarde van de instrumenten zelf mee te rekenen). Met zijn oppervlak van duizend vierkante meter heeft deze afdeling volgens Teichmann "in zijn soort waarschijnlijk de grootste informatiedichtheid ter wereld'. De expositie in het Adler-Planetarium in Chicago is groter, maar zeker niet zo up-to-date. Ook Oskar von Miller zou over het resultaat heel tevreden zijn.