De Westerse hulpverlening komt voor tienduizenden Somaliërs veel te laat

Er moest deze week een ernstig verwijt van Boutros Boutros Ghali aan te pas komen voordat de wereld - vele maanden te laat, vele doden te laat - zich eindelijk het lot van miljoenen Somaliërs ging aantrekken. Al maanden geleden trokken organisaties als het Internationale Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen en regeringen als die van Kenia aan de bel, eerst verontrust, later uitgesproken wanhopig: in het door een langdurige droogte en een verbitterde burgeroorlog geteisterde Somalië leefden honderdduizenden mensen op de rand van de hongerdood. In al die maanden werden de noodkreten steeds luider, eerst stierven er per dag vijf tot tien kinderen in de vluchtelingenkampen van Somalië, vervolgens stierven er tientallen, daarna honderden per dag, en de honderdduizenden op de rand van de hongerdood werden er allengs miljoenen.

Iedereen heeft het al die maanden lang geweten. Maar niemand deed iets en als Boutros Ghali niet deze week uit zijn slof was geschoten met het verwijt dat de wereld meer aandacht heeft voor the rich man's war in Joegoslavië, dan voor the poor man's war in Somalië die nog zoveel méér menselijke ellende veroorzaakt, dan zou de wereld het ook nu nog steeds een stuk drukker hebben met andere problemen dan Somalië.

Voor tallozen in Somalië komt de hulp te laat. De luchtbrug, waartoe de Veiligheidsraad deze week heeft besloten, is er nog niet: er moet eerst nog een studiegroep worden gevormd die ter plaatse moet bekijken hoe het besluit moet worden geïmplemen- teerd. Dat betekent opnieuw vertraging. En elke nieuwe dag vertraging betekent honderden, zo niet duizenden doden meer.

De nalatigheid waarmee de internationale gemeenschap reageert op rampen als die in Somalië illustreert nog eens dat er kennelijk geen enkel betrouwbaar politiek mechanisme bestaat waarmee dergelijke rampzalige ontwikkelingen kunnen worden onderkend en gekeerd vóór ze uitlopen op een drama als dat in Somalië. Dat is een schrijnende en beschamende vaststelling, vooral omdat ze moet worden gemaakt in een tijdperk waarin diezelfde internationale gemeenschap zichzelf een overvloed aan supranationale samenwerkingsverbanden heeft verschaft - economische, politieke, militaire, regionale, noem maar op.

De vaststelling is om nog een reden schrijnend. Het Westen heeft een morele mede-verantwoordelijkheid voor de misère van Somalië, net zoals het een mede-verantwoordelijkheid heeft voor de economische misère van dat hele traditionele wingewest Afrika, zijn schuldenlast, zijn onderontwikkeling. Somalië is twintig jaar lang het hof gemaakt door Oost en West: de Hoorn van Afrika was belangrijk in de Oost-West-rivaliteit, Somalië heeft strategische waarde, het ligt niet ver van de ingang tot de Rode Zee.

Oost en West hebben de Somalische dictator Mohammed Siad Barre - in het kader van hun Koude Oorlog - voor miljarden aan wapens geleverd en hem twintig jaar lang in het zadel gehouden: zij zijn mede-verantwoordelijk voor twintig jaar wanbeheer van een brute dictator. Nu die dictator eenmaal is gevallen en zijn erfenis de inzet is geworden van een nieuwe burgeroorlog, die tussen een krankzinnige generaal en een even krankzinnige hotelier annex miljonair, wordt die oorlog uitsluitend uitgevochten met de wapens die Oost en West al die jaren aan Mohammed Siad Barre hebben geleverd.

Na de val van het socialisme en de afsluiting van de Koude Oorlog heeft Somalië het voordeel van zijn strategische ligging en daarmee tevens voor een groot deel de belangstelling van de Westerse wereld verloren. Oorlog? Droogte? Het zijn onze zaken niet. Het resultaat: dertigduizend doden, een miljoen vluchtelingen die in armlastige buurlanden als Ethiopië en Kenia terecht zijn gekomen, diverse miljoenen die in het land zelf op de vlucht zijn gedreven, 3,5 miljoen mensen die op de rand van de hongerdood balanceren. En dat in een land van tien miljoen inwoners: tweederde Nederland.

De wereld echter had het al die maanden veel te druk met andere zaken. De Organisatie van Afrikaanse Eenheid, de eerste direct aanspreekbare supranationale organisatie, heeft nog nooit een probleem van enige importantie kunnen oplossen: zij heeft zich slechts met de kwestie-Somalië beziggehouden toen de hoge afgevaardigden een paar maanden geleden belangstellend toekeken hoe in de vergaderzaal in Abuja de delegaties van de twee strijdende Somalische partijen elkaar letterlijk in de haren vlogen toen het erom ging welke van beide Somalië mocht vertegenwoordigen. Het principe van "niet-inmenging' is voor de OAE een ragdun vijgeblad geworden dat nog altijd als alibi wordt gebruikt om zich toch vooral buiten elk conflict te houden.

De VN keken ook de andere kant uit. Al in maart, twintigduizend doden geleden, moest onder-secretaris-generaal James Jonah - “het is heel pijnlijk dit te moeten uitleggen” - toegeven dat de VN “zich nooit werkelijk met Somalië hebben bemoeid”, omdat “de politieke cultuur” wil dat de VN pas in actie komen als regionale organisaties (de OAE, de Arabische Liga en de Islamitische Conferentie Organisatie in dit geval) daarom vragen, of zich er althans niet tegen verzetten. De EG keek ook al de andere kant uit, al die tijd: te druk, met die rich man's war in Joegoslavië, met Maastricht, of andere zeer dringende zaken.

Het rijke Westen - en dat Westen is rijk, naar alle beschikbare internationale maatstaven - veroorlooft zich de luxe bewust zijn landbouwareaal te verminderen en zijn boeren te bestraffen wegens het produceren van overschotten, terwijl een paar uur vliegen verderop een heel volk van honger sterft. Dat er, alle krantefoto's en televisiebeelden van hongerende moeders en stervende kinderen en alle noodkreten van het Rode Kruis ten spijt, pas na een kwade uitval van een leider met een geweten internationale actie wordt ondernomen, is geen compliment voor de wijze waarop de politieke leiders van het Westen hun prioriteiten vaststellen.