De buien van Thelonious Monk

Straight no Chaser. Documentaire over jazzpianist Thelonious Monk. Regie: Charlotte Zwerin. Uitgebracht op video door Warner Home Video. Prijs ƒ 39,95.

Waarom worden sommige musici eindeloos geïmiteerd en andere vrijwel niet? Die vraag dringt zich op bij Straight no Chaser, een uniek document over de muziek en de persoon van Thelonious "Sphere' Monk (1917-1982). J.S. Bach, Louis Armstrong, Jimi Hendrix, honderden musici probeerden op hen te lijken, of proberen dat nog steeds. Thelonious Monk echter, de "High Priest of bebop' bleef vrijwel zonder volgelingen. De Engelsman Stan Tracey en "onze eigen' Misha Mengelberg lieten zich met succes door hem inspireren, de Amerikaanse pianist Kenny Barron richtte zelfs de groep Sphere voor hem op, maar echt Monk werd het niet.

De duetspelende Barry Harris en Tommy Flanagan, toch niet de minsten in jazzpianoland, overkomt in deze documentaire iets ernstigers: ze "spelen' Monk, en het lijkt er wel op, maar je gelooft er nauwelijks in. Hoe komt dat? Is Monk dan zo heilig, zijn muziek zo onaards ? Zekerheid daarover is er niet, maar misschien bevangt de bewonderende musici hetzelfde gevoel als de kijker bij deze documentaire: al kun je Thelonious Monk bijna aanraken, toch blijft hij heel ver weg.

Het gevoel van nabijheid is te danken aan Michael en Christian Blackwood die in de laatste maanden van 1967 Monk bijna op de voet volgden: tijdens platensessies voor CBS, in vliegtuigen en bussen tijdens een Europese tournee, in kleedkamers en slaapkamers. Je krijgt beelden van Monk te zien die je van veel beroemdheden nooit te zien zult krijgen: in woordenwisseling met een producent, met hoofddeksel in bed "kippelevertjes met rijst' bestellend (het wordt kalfslever met puree) en zich verheugend over het feit dat hij nooit een pen bij zich heeft, "dan hoef ik ook geen handtekeningen te zetten'.

Tussen deze opnamen, "candid camera' op zijn best, hebben filmer Bruce Ricker en regisseur Charlotte Zwerin (bekend van Gimme Shelter over de Rolling Stones) beelden gemonteerd die moeten verklaren waarom de mollige en baardige Monk toch zo ver en onaanraakbaar bleef. "Hij had zijn buien', licht personal manager Harry Colomby toe. "He was a very complex individual', vertelt zijn zoon Thelonious jr. De interviews zijn kort, maar zo duidelijk dat er slechts één conclusie mogelijk is: Thelonious Monk was manisch depressief. In 1972, tien jaar voor zijn dood, stopte hij met optreden en verdeelde hij zijn tijd tussen Nellie, zijn echtgenoot-verpleegster, en Rotschild-barones Nica de Koenigswarter aan wie hij zijn compositie Pannonica opgedragen had. In de door poezen gedomineerde flat van de laatste, door hem Catville genoemd, sleet hij zijn laatste jaren, broedend, slapend en peinzend, slechts zelden de piano beroerend. Dat hij er al eerder genoeg van had blijkt in deze documentaire overduidelijk. "Wil je dat ik hier een C speel?' vraagt saxofonist Charlie Rouse bij de voorbereiding van een plaatopname. "Kun je niet gewoon wat doen?' luidt het antwoord van Monk.

Pianist/componist Thelonious Monk, in 1964 prominent op het omslag van Time Magazine, was niet gebouwd op roem. Zijn gang was te dwaas, zijn pantsering te zwaar. Curieus klinkt dan ook het commentaar als Monk ergens op een vliegveld op verzoek zijn handtekening heeft gezet. "Leuk hè', hoort de Nederlandse kijker ineens. Hij spoelt de video terug, ziet het woord "uitgang' en bedenkt wat Monk gedacht moet hebben: "If this is Schiphol, it must be the 28th' (oktober 1967). Voor Monk was het leven niet leuk, dat is wat deze documentaire, naast alle prachtige muziek, op indringende wijze overbengt.