Britse rechter moet kiezen: persvrijheid of terreurbestrijding

LONDEN, 30 JULI. Lord Justice Woolf en Mr. Justice Pill zijn de twee Britse rechters die deze week historie zullen maken met hun beslissing over de vraag wat zwaarder weegt: persvrijheid of terreurbestrijding. Kiezen ze voor persvrijheid, dan is dat een uitslag die ingaat tegen de trend in Groot-Brittannië om persvrijheid steeds meer aan banden te leggen. Leggen ze de prioriteit bij terreurbestrijding, dan kunnen journalisten in een sectarisch verdeeld Noord-Ierland wel inpakken.

De prominente televisiezender Channel Four, de culturele poot van de twee commerciële kanalen op de Engelse televisie, kan bovendien faillissement tegemoet zien. Zo groot is het belang van het vonnis, dat Amnesty International een waarnemer naar het proces heeft gestuurd. Morgen wordt de uitslag verwacht.

De rechters bogen zich deze hele afgelopen week over een zaak waarin de Royal Ulster Constabulary, de politiemacht in Noord-Ierland, het televisiestation en de makers van de documentaire "Het Comité' wil dwingen tot bekendmaking van de identiteit van de hoofdpersoon uit dat programma. De RUC beroept zich op de vergaande anti-terreurwetgeving, die het Britse Lagerhuis jaar na jaar verlengt, omdat het de toestand in Noord-Ierland als vergelijkbaar met oorlog beschouwt. Maar Channel Four beroept zich op de onmogelijkheid om de identiteit van de hoofdpersoon te noemen. De programmamakers hebben hem onvoorwaardelijk anonimiteit beloofd en zowel zij als de televisiebazen zeggen dat onthulling van zijn identiteit zoveel als zijn doodvonnis zou betekenen.

De anonieme hoofdpersoon van Channel Four's documentaire verscheen in oktober vorig jaar op het televisiescherm van kijkers in Engeland en Wales, gehuld in schaduwen en verscholen achter het stemgeluid van een acteur die zijn tekst sprak. Die tekst had een explosieve inhoud. Volgens de anonymus bestond er een samenzwering op hoog niveau tussen verboden protestantse terreurbewegingen, hooggeplaatste officieren binnen de (overwegend protestantse) politie en protestantse prominenten uit het bedrijfsleven in Noord-Ierland. De verbindingen tussen deze groeperingen liggen volgens de bron bij een groep mensen, die bekend staan als "het comité': een zelf-benoemde “laatste verdedigingslinie tegen de IRA” die de afgelopen twee jaar zo'n twintig aanslagen op IRA-aanhangers zou hebben georganiseerd. De anonieme zegsman beschreef de toedracht van zes gepleegde moorden in detail. De zegsman noemde zichzelf, als deelnemer aan dat comité, “een soort verbindingsofficier”.

De beschuldiging van samenzwering tussen politie en protestantse paramilitairen is niet nieuw en wordt meestal maar ten dele bewezen. In dit geval waren het de gedetailleerdheid van de beschuldigingen en de bereidheid van de bron om, op voorwaarde van volstrekte en permanente anonimiteit, in beeld op te treden, die diepe indruk maakten.

Het hoofd van de RUC, Sir Hugh Annesley, ontkende meteen dat er sprake is van “systematische” samenzwering tussen politie en protestantse paramilitairen. “Noord-Ierland is maar een kleine, intieme gemeenschap. Loyalistische en republikeinse terroristen hebben de politie niet nodig om hun slachtoffers op de korrel te nemen,” reageerde Annesley destijds. Desondanks: Channel Four vreest dat onthulling van de identiteit van zijn bron aan de politie onherroepelijk onthulling van de bron ook aan derden zou betekenen. Michael Grade, het opperhoofd van Channel Four, beriep zich deze week bij de rechters op het openbaar belang dat is gediend met de mogelijkheid voor journalisten om in een situatie als die in Noord-Ierland hun bron totale bescherming te bieden. Verhalen die verteld moeten worden, komen anders niet meer boven tafel.

De van Channel Four onafhankelijke programmamakers, Box Productions, hebben voor de rechters aangevoerd dat het onredelijk is dat de RUC hun zegsman wil ondervragen, als haar Chief Constable eerst ontkend heeft dat er iets waar is van diens beschuldigingen. Maar de RUC zegt dat de man kennelijk informatie heeft over een aantal moorden en dat het publiek belang vergt dat de politie die moorden ten volle onderzoekt. Ze heeft van Channel Four weliswaar een lijst van namen van bij de moorden betrokken personen gekregen, maar ze wil ook de naam van de laatste betrokkene, de anonieme zegsman.

Het ene na het andere hoofdartikel in de (serieuze) Engelse pers heeft gewaarschuwd voor verdere beknotting van de persvrijheid. Er is niet eens een Mellor-affaire voor nodig - de onthulling dat de braaf getrouwde minister voor perszaken er een erotisch vindingrijke maitresse op na hield - om een opsomming te kunnen maken van methoden waardoor de pers beknot wordt in haar vrijheid om te publiceren. De strenge Britse wetgeving op smaad (waarbij de journalist moet bewijzen dat een aantijging die afbreuk doet aan iemands reputatie, waar is) heeft onthullingen over de schurkerige uitgever en pensioendief Robert Maxwell tot na diens dood opgehouden. Volgens de wetgeving in Engeland is het ook mogelijk publicatie van een artikel bij voorbaat door kort geding te verhinderen: een vorm van censuur waartoe steeds meer belanghebbenden hun toevlucht nemen. Een wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals door sommige Lagerhuisleden in de nasleep van de Mellor-affaire opnieuw wordt bepleit, is tot nu toe spaak gelopen op de onmogelijkheid die bevredigend te formuleren. Maar mediadeskundigen verwachten van een dergelijke wet, mocht hij er komen, grootscheepse beperkingen op de vrijheid van opereren van de media.

The Times opperde deze week dat Engeland, naast een gedragscode voor de pers bij het schrijven over schandalen, dringend behoefte heeft aan een wettelijke basis voor het recht op persvrijheid. De krant vreest met anderen dat het ontbreken daarvan de rechters Woolf en Pill geen andere optie zal bieden dan de kant van de politie te kiezen.