B.L.A. Waumans van Philips Natlab; In Nederland wordt de student wel erg weinig achter zijn broek gezeten

Duizenden pagina's vol informatie over zaken als het onderwijsprogramma, de studieresultaten en de omvang van de staf kreeg het International Programme Review Electrical Engineering Committee te verwerken voordat zij zich een oordeel kon vormen over het niveau van de opleiding tot elektrotechnisch ingenieur. Tien universiteiten, waaronder die in Delft, Eindhoven en Enschede, verdeeld over zes landen, werden door de commissie op vrijwillige basis aan een onderzoek onderworpen.

Het werk van de commissie was een experiment, uitgevoerd in opdracht van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU). Zij is op zoek naar een voor Europa acceptabele manier om het niveau van hogere opleidingen op hun waarde te kunnen schatten. Met name voor opleidingen met een "civiel effect', opleidingen waarvan de samenleving mag verwachten dat afgestudeerden aan bepaalde kwalificaties voldoen, is dat van belang nu waarschijnlijk het Academisch Statuut wordt afgeschaft - en daarmee niet langer centraal is geregistreerd welke eisen er aan de examens in het hoger onderwijs worden gesteld.

De VSNU sluit niet uit dat zij op de ingeslagen weg voort gaat. Vanwege de kosten misschien in een iets afgeslankte vorm. Bij elektrotechniek kostte het werk van de commissie 200.000 gulden. De opleidingen zelf hebben de meeste baat bij het onderzoek. ""Het blijkt heel verhelderend voor ze te zijn om eens te zien hoe het er het bij de andere opleidingen aan toegaat'', zegt Waumans.

Nederlands initiatief

""Natuurlijk, het was een Nederlands initiatief. Het ging er ook om te kijken in hoeverre de universitaire studierichtingen elektrotechniek zich konden meten met de opleidingen in Europa. Maar we hebben ons toch allereerst als een internationale commissie opgesteld. Wat het belang van ons rapport in de huidige Nederlandse discussie ook mag zijn, Nederland was in onze rondgang door Europa een van de deelnemende landen. Niet meer en niet minder.''

Voorzitter B.L.A. Waumans van de commissie die de afgelopen maanden de opleidingen tot elektrotechnisch ingenieur in zes Europese landen vergeleek, de International Programme Review Electrical Engineering Committee, laat er geen twijfel over bestaan dat hij persoonlijk geïnteresseerd was in de positie van de Nederlandse opleidingen. In het dagelijks leven werkzaam op het Natuurkundig Laboratorium van Philips in Eindhoven wordt hij direct geconfronteerd met de kwaliteit van de Nederlandse ingenieur. ""En die kan de toets der kritiek maar net doorstaan'', zegt hij na de overhandiging van het eindrapport van zijn commissie aan de opdrachtgever, de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten.

Waumans weigert algemene uitspraken te doen over de bruikbaarheid van "de' Nederlandse ingenieur in "het bedrijfsleven'. ""Overal worden andere eisen aan ingenieurs gesteld. Bij de invoering van de twee-fasenstructuur heeft het NatLab ervoor gekozen vooral elektrotechnici aan te nemen die de onderzoekers- of ontwerpersopleiding hebben gevolgd. Elders kan men misschien heel goed uit de voeten met ingenieurs die alleen de eerste fase hebben gevolgd.''

Steeds moeilijker

Maar Waumans is niet zonder zorgen. Hij constateert dat het steeds moeilijker wordt ingenieurs te vinden die voor onderzoek kunnen worden ingezet. ""Als je te weinig gepromoveerde ingenieurs kunt krijgen, moet je een stapje terug doen. Uiteindelijk moet je dan genoegen nemen met mensen die alleen de eerste fase achter de rug hebben. Dan blijkt dat je toch wat minder in huis krijgt dan vóór de invoering van de twee-fasenstructuur. Misschien, maar ik moet uitkijken niet te veel als een oude man op mijn gekleurde geheugen te leunen, was de "oude stijler' wat breder en beter inzetbaar dan de ingenieur die nu van de universiteiten komt.''

Volgens datzelfde geheugen zouden, aldus Waumans, de Nederlandse opleidingen tot ingenieur in het verleden tot de Europese top hebben behoord. ""Die perceptie had ik in elk geval toen ik studeerde (Waumans kreeg zijn opleiding in de elektrotechniek in Eindhoven, red.). Maar dat is volgens mij nu niet meer het geval, al kunnen ze in Europa nog steeds meekomen. De absolute toppers zijn te vinden in Zürich en in Leuven, en misschien in München.''

De lezer van het rapport komt, na wat plussen en minnen, tot dezelfde conclusie als Waumans. De commissie zelf heeft geen rangorde opgesteld. Waumans: ""Wij hebben wel over een ranking gesproken, maar daar van afgezien. Dat zou geen recht doen aan de veelkleurigheid van de verschillende Europese opleidingen. Bovendien wilden wij haastige en misschien luie lezers niet ter wille zijn. De scores zouden gemakkelijk een eigen leven zijn gaan leiden en de inhoudelijke vergelijkingen zouden te weinig aandacht krijgen.''

Accreditering

De commissie is bij haar toetsing van de verschillende opleidingen uitgegaan van de eisen die in de Verenigde Staten bij de accreditering worden gesteld aan de graad van Master of science in electrical engineering. Maar zij heeft niet gepoogd daarbij een opleiding te schetsen die voor heel Europa hetzelfde zou moeten zijn. Wel bestond er een gemeenschappelijke mening over wat de opleiding hoort te omvatten.

""Een afgestudeerde ingenieur moet internationale vakliteratuur zelfstandig kunnen verwerken en in de praktijk brengen. Hij is de enige die de ontwikkelingen op zijn vakgebied kan begrijpen en ten nutte van de samenleving kan brengen'', aldus Waumans. ""Bovendien moet de opleiding breed zijn. Niet alleen verloopt de technologische ontwikkeling steeds sneller, ook zijn er steeds meer disciplines bij betrokken en neemt de mobiliteit nog toe. Vaak is het zo dat ingenieurs na tien jaar al twee betrekkingen achter de rug hebben. Daar moet in de opleiding rekening mee te worden gehouden. Een brede opleiding is nodig om als ingenieur verschillende disciplines in een ontwerp te kunnen integreren. De echte ingenieur wordt naast zijn vermogen tot analyseren gekarakteriseerd door de bekwaamheid dingen te ontwerpen, te construeren en te bouwen.''

Juist aan de breedte van de opleiding schort het in Nederland, zo constateert de commissie. Volgens Waumans is dat grotendeels het gevolg van de invoering van de twee-fasenstructuur. ""De universiteiten hebben erg in de opleidingen gesneden om op vier jaar uit te komen. Vooral vakken die niet van onmiddellijk belang leken voor de specialisatie, elektrotechniek, hebben daarvan te lijden gehad. Het gevolg is wel dat de curricula erg gespecialiseerd zijn.''

Bovendien zijn de curricula overladen. ""De programmering is zodanig dat als een student een of twee keer over een tentamen struikelt, hij vrijwel zeker een trimester kwijt is. Het zou goed zijn als de faculteiten de progammering van hun onderwijs nog eens kritisch bekeken. Maar ook los daarvan lijkt het de commissie goed om de nominale cursusduur, die nu vier jaar is, met een half jaar te verlengen. Daarmee zou Nederland in de pas gaan lopen met bijvoorbeeld Zweden en Zwitserland'', zegt Waumans, die daar als voorwaarde aan toevoegt dat de daadwerkelijke studieduur er niet door mag toenemen. ""Anders schieten we nog niets op'', meent hij.

De verlenging van de cursusduur leek voor de technische universiteiten de belangrijkste aanbeveling te zijn. Dat de opleidingen redelijk kunnen meekomen en de talrijke andere aanbevelingen: dat alles was niet van belang. In hun reactie op het rapport telde maar één ding: de steun in de rug die ze kregen voor hun al enkele jaren durende lobby voor een langere cursusduur.

Harder werken

Toch plaatst Waumans er enkele kanttekeningen bij. Zo heeft de commissie geconstateerd dat de Nederlandse student veel minder tijd aan zijn studie besteedt dan in het buitenland gebruikelijk is. In Nederland is dat zo'n 1.400 uur per jaar, elders 1.600 tot 2.000 uur. ""De studenten kunnen harder werken'', aldus Waumans. ""Maar zij zouden daar door de opleiding toe moeten worden geprikkeld. Het gaat erom studenten meteen in het eerste jaar op het juiste spoor te zetten. Een goede studiebegeleiding en een betere en meer afgewogen programmering zijn noodzakelijk om studenten harder te kunnen laten werken.''

De commissie vond in de opleidingen in Zweden een belangrijk argument om te veronderstellen dat onderwijsprogrammering inderdaad helpt. Aan de opleiding in Göthenburg (Chalmers) is het onderwijs met zorg geprogrammeerd. Net als aan de opleiding in Lund is de cursusduur er 4,5 jaar. In Chalmers doet de student gemiddeld 4,9 jaar over zijn studie, in Lund 5,8 jaar. ""Een groot verschil. De opleiding in Chalmers is goed, daar bestaat geen enkele twijfel over. De studenten werken er keihard. Wel zijn ze misschien een beetje braaf. Het kan dus, al zeg ik niet dat het hier ook in dat tempo moet. Maar in Nederland wordt de student wel erg weinig achter zijn broek gezeten.''

Aan de kwaliteit van de eerstejaars kan het niet liggen dat de gemiddelde studieduur van de aankomende ingenieur (5,8 jaar) aan de drie Nederlandse universiteiten met die van Lund en München de langste is. Volgens Waumans doorstaat de VWO'er een vergelijking met beginnende eerstejaars in andere landen goed. ""Eigenlijk is het voorbereidend onderwijs in alle landen adequaat, misschien zou in Zweden iets meer aan wiskunde moeten worden gedaan.''

Waumans geeft toe dat de effectieve studieduur van de Nederlandse student veel korter wordt als de aanbevelingen van de commissie worden opgevolgd. Het zou voor de hand liggen daar eerst op te wachten, om vervolgens te kijken of verlenging van de cursusduur nog nodig is. Waumans vindt van niet. ""Nu al moet de nominale cursusduur van 4 naar 4,5 jaar. Er is meer lucht in het programma nodig, hoe je het ook wendt of keert.''

De voorzitter ontkent dat deze aanbeveling erin is gekomen onder druk van de Nederlandse leden van de commissie (elke opleiding die aan het onderzoek mee deed leverde een deelnemer). ""Daar is geen sprake van. De Nederlands leden hebben geen invloed gehad op de rapporten die over de Nederlandse opleidingen zijn opgesteld. Natuurlijk is er door de leden onderling over hun opleidingen gesproken, maar voornamelijk in informatieve zin'', aldus Waumans. Datzelfde geldt ook voor de discussie die er in de commissie is gevoerd over de lengte van de afstudeeropdracht. Al geruime tijd zijn de Nederlandse opleidingen van mening dat daarvoor, net als vroeger, negen maanden moet worden uitgetrokken. Waumans: ""Alle buitenlandse leden zijn nadrukkelijk van oordeel dat het heel goed mogelijk is om in een half jaar te achterhalen of iemand zelfstandig kan werken. In het buitenland is zes maanden of zelfs minder daarvoor gebruikelijk.''