Behaarde ego's

Onuitwisbaar staat het tafereel op mijn netvlies gegrift; ergernis, walging en gêne wellen weer op als ik het terugroep. Het was bij de ijscotent in een vakantieoord. Een echtpaar met honden bestelt twee hoog opgetaste ijshoorns voor zichzelf, en dan nog twee. Elk twee bolletjes, de smaken ben ik vergeten. Kijk eens, zegt de man tegen de honden. Hij houdt voor iedere neus een hoorntje, de tongen beginnen te lebberen, lik lik, hap hap, en terwijl baasje triomfantelijk om zich heen kijkt, klaar om de vertedering van de omstanders in ontvangst te nemen, gaan de ijsjes de beesten in. De vertedering blijft inderdaad niet uit. Het volk verbaast zich, bewondert zo veel originaliteit, zo veel liefde voor het dier, wat aardig hè, waarom zou je ook niet, als die beesten dat nou lekker vinden, och god, kijk ze eens kwispelen...

Vanwaar toch mijn weerzin? Dierenliefde is toch iets heel moois?

De behandeling die de dieren in een samenleving ten deel valt is een graadmeter, hoor je wel eens, voor de beschaving van die samenleving. Het wordt ook over (geestes)zieken en bejaarden gezegd; wat zij met de dieren gemeen hebben is hun weerloosheid. Aardig zijn voor iemand van wie je zelf ook wat moet is geen kunst; lief zijn voor machteloze wezens, dat is pas mooi.

Milan Kundera schrijft dat in het laatste deel van zijn boek De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Tereza heeft een hondje, Karenin, dat tot groot verdriet van haar en Tomas doodgaat aan kanker. Tereza heeft het gevoel dat haar liefde voor Karenin eigenlijk beter is dan die voor Tomas; niet groter misschien, maar op de een of andere manier mooier, omdat zij van Tomas iets verwacht - trouw, om maar wat te noemen - terwijl haar gevoelens voor het hondje Karenin geheel onbaatzuchtig zijn. Zij accepteert Karenin volkomen zoals hij is. Zij moet denken aan de Russische stad waar op een dag alle honden werden doodgeschoten. De volle afgrijselijkheid van het sovjetregime was voor het eerst tot Tereza doorgedrongen toen zij een kort berichtje daarover in de krant had gelezen.

Je vraagt je af wat Kundera zou zeggen van het doodspuiten van duizenden pitbull terriërs, zoals dat de laatste jaren in Nederland schijnt te zijn gebeurd. ”Weerloos' is niet direct het woord dat bij je opkomt als je denkt aan een diersoort die kinderen doodbijt en desnoods zijn eigenaar verminkt. Maar aan de andere kant, een enge hond is toch ook een hond?

Er bestaan geen enge honden, er bestaan alleen maar enge eigenaars. Dat is een platitude die elke kynologenbons zal beamen. Kundera heeft gelijk als hij zegt dat dieren de onschuld en argeloosheid zelve zijn. Zelfs als zij zijn opgefokt tot bloeddorstige monsters, weten zij nog niet beter. En omdat zij aan ons uitgeleverd zijn, mogen we ze geen leed toebrengen (behalve dus misschien om mensenleed te sparen). Sterker nog, wie in staat is om van een dier te houden toont dat hij zelf zijn paradijselijke onschuld nog niet helemaal heeft verloren. Maar bij die laatste gedachte begint het misverstand. Hoe het met Tereza zit mag haar schepper zelf uitmaken, maar de hondenbezitters die ik ken willen wel degelijk iets terug voor hun liefde. Juist dat onzinnige verlangen geeft de aanblik - en niet te vergeten het geluid - van de huisdierbezitter, met de hondenbezitters voorop, altijd iets pijnlijks.

Het besluit om een egel te sparen is belangeloos. Een koe goed behandelen, zelfs als je haar al hebt verkocht, dat is fatsoenlijk. (Iedere dag rijden vrachtauto's met kippen, varkens en schapen naar de uithoeken van Europa. De dieren stikken van benauwdheid, kleumen van de kou, worden gek van angst. Eten of drinken krijgen ze niet. Zoals het een zichzelf respecterend land betaamt heeft Nederland wetten om dit ”levend vervoer' in banen te leiden. Onlangs is weer gebleken dat die wetten slechts bij zeer, zeer grote uitzondering worden nageleefd. Maar dit terzijde.)

Lief en leed te delen met een stom beest - beter gezegd je verbeelden dat je dat doet - is nu juist het meest egocentrische gedrag dat denkbaar is. Een hond is een verlengstuk van zijn eigenaar, een behaard ego. Er valt veel makkelijker mee te leven dan met een mens. Als er problemen rijzen van sociale of medische aard is actieve euthanasie geen probleem. En in de tussentijd kan de bezitter met zijn schat ongestraft dreigen of gratuite gemoedelijkheid uitstralen, bewondering oogsten en schaamteloos aan andermans kruis ruiken.

Komisch is daarbij de misvatting dat lastiggevallen passanten die hun ergernis uiten, onverdraagzaam zijn jegens dieren. Op die manier kun je mensen die klagen over de geluidsinstallatie van de buren, verwijten onmuzikale cultuurbarbaren te zijn.

De dieren zijn onschuldig, de eigenaars zijn eng. Wie belangstelling heeft voor de denkwereld van de gevorderde dierenminnaars hoeft maar even in de populaire media te kijken om kennis te nemen van hun even debiele als lucratieve vondsten. Speeltjes en kleertjes voor dieren, een menukaart voor de hond, de trimsalon, en niet te vergeten de adviezen van de dierenpsycholoog.

Het is allemaal onschuldig tijdverdrijf, ik geef het toe. De mensen moeten iets te doen hebben, geld moet rollen, en ach, voor zo veel amusementswaarde valt zelfs de overlast misschien nog wel mee. Maar wat blijft irriteren is de verwijzing naar het Hogere, naar de Dierenliefde. De gedachte dat het beschavingspeil hoger is naarmate in de supermarkten meer strekkende meters dierenvoer, van kipkrokant tot light, te vinden zijn. Nee, om de beschaving te meten moet je bij die veewagens zijn.