Werkgroep: bij baby's euthanasie soms toelaatbaar

DEN HAAG, 29 JULI. Het leven van zwaar gehandicapte pasgeboren baby's moet volgens een werkgroep van zes vooraanstaande kinderartsen in noodsituaties beëindigd kunnen worden met actieve euthanasie. Dat staat in een discussiestuk, getiteld "Doen of laten? Grenzen van medisch handelen in de neonatologie', dat als basis dient voor een rapport dat in het najaar aan het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde zal worden uitgeboden.

Zolang de wet actieve euthanasie bij wilsonbekwamen zoals bij baby's niet toelaat, doen kinderartsen er beter aan in een noodsituatie een onjuiste overlijdensverklaring in te vullen, aldus de werkgroep. In plaats van de euthanasie te melden bij Justitie wordt artsen aangeraden "natuurlijke dood' op de overlijdensverklaring in te vullen, “als minste van twee kwaden”.

De GPV-fractie in de Tweede-Kamer wil van minister Hirsch Ballin (justitie) weten of de opstellers van het rapport schuldig zijn aan uitlokking van of medeplichtigheid aan het misdrijf van valsheid in geschrifte. Het ministerie van justitie is allerminst gealarmeerd. “We reageren niet op concept-rapporten. We wachten de defintieve versie af”, aldus een voorlichter van het departement.

Dr. C. Versluys, voorzitter van de in 1986 opgerichte werkgroep Ethische aspecten van de neonatologie en als kinderarts verbonden aan het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, onderstreept dat het bij opzettelijke levensbeëindiging om zeer uitzonderlijke gevallen gaat. Als voorbeelden noemt hij baby's met een open ruggetje en een waterhoofd. “Als artsen en ouders, uiteraard na zeer zorgvuldige afweging, tot de conclusie komen dat voortzetting van het leven een grotere lijdensweg is dan de dood, dan zou actief ingrijpen mogelijk moeten zijn.”

Voorwaarde is daarbij wel dat een arts een beslissing om het leven van een baby actief te beëindigen niet in zijn eentje mag nemen. Dat moet gebeuren in samenspraak met de ouders en met collega's van de medisch-ethische commissie in het ziekenhuis. Jaarlijks sterven ongeveer 300 baby's omdat een arts niet begint aan medische behandeling of de behandeling stopzet. Van euthanasie bij zwaargehandicapte pasgeborenen is volgens Versluys hoogstens tien keer per jaar sprake.

Versluys beseft dat de opvattingen van de werkgroep over het bewust onjuist invullen van overlijdensverklaringen bij Justitie en in de politiek verkeerd zullen vallen. “Maar nood breekt wet”, aldus de werkgroep. Formeel-juridisch handelen artsen wellicht verkeerd, maar medisch-ethisch gezien is een dergelijke handelwijze volgens de werkgroep wel te rechtvaardigen.

In vier gevallen is er volgens de werkgroep een noodsituatie die actieve levensbeëindiging rechtvaardigt.

Als een ernstig zieke pasgeboren baby na het staken van een zinloze medische handeling niet meteen overlijdt.

Als na een paar dagen of weken blijkt dat de zorg niet in het belang was van het kind omdat de afwijkingen ernstiger zijn dan de artsen aanvankelijk dachten.

Als direct vanaf de geboorte van een medische behandeling wordt afgezien en het kind niet meteen sterft maar wel lijdt.

Als een pasgeborene op eigen krachten overleeft, maar de afwijkingen zo ernstig zijn dat artsen en ouders zich afvragen wat de kwaliteit van het leven zal zijn.

Versluys: “Wij kunnen ons zeer goed voorstellen dat artsen daar om morele, ethische redenen niet voor kiezen. Maar wij vinden wel dat die artsen in dat geval de ouders desgewenst moeten kunnen verwijzen naar collega's die er anders over denken.”