Olympische adel

Bij menig jonkheer en baron dwarrelt dezer dagen het boekje "Het Olympisch Stadion Moet Blijven' op de deurmat. “Het comité is ervan overtuigd dat U, noblesse en notabelen van Nederland, de waarde inziet van dit unieke Olympische monument”, zo schrijft Eelco Brekveld van het "Actie Comité Olympisch Stadion OK' in een begeleidend briefje.

Brekveld heeft het comité op 22 april jongstleden opgericht, “op de dag dat de Stadsdeelraad Zuid besloot het stadion te slopen”. Nadat hij eerst bij Amsterdammers en politici aan de bel trok, probeert hij nu de “noblesse en notabelen van Nederland” voor het stadion te winnen.

Maar hoe komt de actievoerder er in hemelsnaam bij om de adel aan te schrijven? Zo vaak komt het niet meer voor dat deze vergane glorie op haar komaf wordt aangesproken. Droomt het actiecomité van dikke bankrekeningen en invloedrijke contacten?

Nee hoor. Eén van de oprichters van het Olympisch Stadion (1920) was van adel: Baron Van Tuyll van Serooskerken. Het leek Brekveld daarom aardig om de nakomelingen van de baron te vragen om sympathie en steun. Toen hij eenmaal bezig was en constateerde dat de familie van Van Tuyll van Serooskerken nogal wijd vertakt is geraakt, heeft hij meteen ook maar andere adelijke families aangeschreven.

Maar hoe komen de actievoerders aan de namen en adressen van de vaderlandse noblesse? Hebben ze het "rode boekje' geraadpleegd? Hebben ze de Hoge Raad van Adel om een bestand gevraagd? Nee hoor. Brekveld heeft gewoon de telefoonboeken van een aantal grote steden opengeslagen. “Ik begon in Wassenaar-Den Haag, daar zit de meeste adel. Daarna in Amsterdam, toen kwam ik in Amersfoort-Naarden terecht. Het was een hele klus met die telefoonboeken. Ik heb er acht à negen dagen over gedaan, negentien uur per dag.”

Randstad-adel dus. De èchte noblesse, de adel die nog verpoost in grote kastelen met vossejacht en dorpsfeest, bleef vrijwel onopgemerkt. Eerder al schreef het actiecomité de leden van de Koninklijke Familie aan. De Oranjes hebben nog niet gereageerd.