Mien Spleetjens.

Mien Spleetjens

haar broer Piet Paaltjens nagevolgd

Zijn dauwworm en pokken, zijn gevel

ontvleesd en poreus zijn wond.

Zijn compleetverdriet-pik, zijn falsetstem

En zijn nu-aftandse kont.

Ik moet aan die zurigheid denken;

Zijn aderen lagen er rauw

En beurs bij, gehakte tartaartjes.

Niet Rood als gewoonlijk, maar Blauw.

Ruik ik opnieuw die tartaartjes.

Dan word ik eensklaps zo raar.

Door hem, die op de brancard lag

Of was het een bak of pissoir?

aldus dichtte de broer van Mien Spleetjens

Zijn goudblonde lokken en knevel,

Zijn geestvolle neus en mond,

Zijn vergeetmijnietblik, zijn tenorstem

En zijn New-Foundlandse hond.

Ik moet er gedurig aan denken;

Zelfs adem ik soms nog flauw

De geur in van zijn sigaren.

Hij kocht ze gewoonlijk bij Blaauw.

Ruik ik opnieuw die sigaren,

Dan word ik eensklaps zo raar.

Is 't, omdat hij ze rookte,

Of was de tabak mij te zwaar?