Hongaarse economie krabbelt op door succesvol exportbeleid

ROTTERDAM, 29 JULI. Economische hervormingen hebben tot op heden meer ontbering dan voorspoed gebracht in Midden- en Oosteuropese landen die worstelen met dalende inkomens en stijgende werkloosheidscijfers. Maar er zijn redelijk wat aanwijzingen dat Hongarije het eerste post-communistische land kan worden waar de spiraal van aftakeling wordt doorbroken.

Anderhalf jaar geleden bestond er vrees dat het land door z'n grote schuldenlast en het plotsklaps wegvallen van de export naar de voormalige Comecon-landen aan lager wal zou raken. Inderdaad kelderde de export naar de rest van Oost-Europa en het GOS vorig jaar met een dramatische 60 procent en gaat nu nog maar 19 procent van de Hongaarse uitvoer in die richting.

Het was voor de Hongaarse exporteurs dus zwemmen of verzuipen. Het lukte velen, ondanks sombere prognoses, tijdig te zwemmen en vorig jaar steeg de export in harde deviezen naar het Westen met een knappe 31 procent. In het eerste kwartaal van dit jaar kwam daar - in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar - nog eens een stijging van 13 procent over heen. Leverde de Hongaarse exportinspanning in 1990 6,3 miljard dollar op, in 1991 was dat 10,2 miljard. En dit ondanks het feit dat de lokale forint in het kader van een anti-inflatiecampagne met ruim 10 procent opgewaardeerd raakte.

Op dit moment gaat 70 procent van alle Hongaarse uitvoer naar OESO-landen en daarvan 50 procent naar de EG. 's Lands harde valutareserve groeide van 800 miljoen dollar in 1990 tot 4,5 miljard dollar nu. Moest Hongarije vijf jaar geleden nog 70 procent van zijn harde valutaverdiensten reserveren voor afbetaling van de 22 miljard dollar belopende buitenlandse schuld, nu is dat percentage vrijwel gehalveerd.

Het succes van de Hongaarse exportinspanning wordt deels verklaard door ijver en vernuft. Neem Ikarus, de busfabrikant, die luttele jaren geleden nog 90 procent van zijn produktie afzette in de Comecon-wereld en later ten dode leek opgeschreven. Tegen veler verwachting in wist het bedrijf boven water te blijven en nieuwe orders binnen te halen uit Taiwan, Turkije, Iran en de VS. Of kijk naar Ajka, een kwakkelende kristalfabriek die eind 1990 door de overheid werd verkocht aan Gabor Varszegi, de grootste particuliere ondernemer van het land. Varszegi kwam op het niet eens zo briljante idee om een fraaie catalogus van Ajka-produkten in meerdere talen uit te geven. In 1991 wist de geprivatiseerde glasfabrikant z'n verkopen te verdubbelen. Daarvan gaat 80 procent naar het buitenland.

Ook de verbeterde toegang van Hongaarse produkten tot Westerse markten stimuleerde het Hongaarse exportsucces. Op 1 maart trad het nieuwe associatieverdrag met de EG in werking, al zullen de geneugten daarvan vooralsnog beperkt blijven, omdat de EG tot het jaar 2000 handelsbarrières handhaaft op terreinen waar de Hongaren juist het meest concurrerend zijn, zoals textiel, staal en voedingsmiddelen. Hongaarse economen schatten dat het associatieverdrag dit jaar een exportstimulans kan opleveren van slechts 100 tot 200 miljoen dollar.

Veel meer zullen de Hongaarse economie en export profiteren van de toevloed van buitenlandse investeringen. Voor 1991 rekende de Hongaarse regering eerst op de komst van één miljard dollar aan buitenlands kapitaal. Het werd uiteindelijk 1,7 miljard. Sinds het vertrek van de communisten wisten de Hongaren in totaal voor 3,4 miljard dollar aan buitenlandse investeringen binnen te halen, ofwel 60 procent van alle in Oost-Europa gepleegde investeringen. Buitenlandse bedrijven beheersen al verscheidene industriële sectoren in het land, zoals de autobranche. General Motors investeerde 289 miljoen dollar in Hongarije, Susuki kwam met 235 miljoen over de brug en Ford met 90 miljoen. Alle drie beginnen later dit jaar met de produktie van auto's, automotoren, of beiden, merendeels voor de export. En dat alles tegen arbeidskosten die minder dan eentiende van de Duitse bedragen.

Dat Hongarije betrekkelijk veel buitenlands kapitaal weet te trekken, wordt wel toegeschreven aan de politieke stabiliteit in het land, zijn jarenlange ervaring met het "goulash-communisme' en zijn lokatie. Dus langs de EG, waarvan Hongarije in 2000 vrijwel zeker volledig lid zal worden, en ook langs het GOS dat in een verdere toekomst een interessant afzetgebied kan worden. Daar komt bij dat Hongaren nauwelijks vrees koesteren voor de Duitse invloed die de economische xenofobie in Tsjechoslowakije en Polen pleegt aan te wakkeren. De Hongaren zijn eerder bezorgd over de destabiliserende gevolgen van het Joegoslavische ontbindingsproces en over het lot van de etnische Hongaren aldaar. Zij zien de Westerse aanwezigheid in hun land daarom eerder als een veiligheidsgarantie dan als aantasting van de nationale soevereiniteit. Zoals Istvan Forrai, particulier secretaris van premier Joszef Antall, onlangs de Financial Times toevertrouwde: “Nationale veiligheid kan alleen worden gegarandeerd door de grote landen die hier investeren en er belang bij hebben dat hun investeringen in tact blijven.”