H.J.A. Hofland over schieten

Het plezier van het schieten valt moeilijk uit te leggen, ten eerste aan degene die door toevallige omstandigheden nooit heeft geschoten en ten tweede aan wie ervan overtuigd is er geen liefhebber van te zijn. Daarom neem ik mijn toevlucht tot een vergelijking. Het schieten is verwant aan het spreken in een vreemde taal die men goed genoeg kent om de betekenis van de woorden te weten maar niet voldoende om de gevoelswaarde tot in de finesse te doorgronden.

Ik noem een voorbeeld. Ik spreek drie woorden Hongaars: Orozok menjetek haza! Als ik, een jaar of tien geleden nog, deze korte zin in Hongarije tegen een Hongaarse patriot zei, klaarde zijn gezicht op. Hij was het volkomen met me eens, ik was zijn vriend. Ik zei in het Hongaars: Russen naar huis! Een positieve voltreffer. Zo heb je natuurlijk ook scheldwoorden, beledigingen die we de negatieve voltreffers zullen noemen. Men laadt het wapen, men richt, neemt drukpunt, men schiet zijn woorden af om de roos te treffen. Eigenlijk hoort men dat altijd te doen. Maar het proces van spreken en schrijven in de moedertaal is veel te ingewikkeld, het gaat daar te slordig toe, het is niet bruikbaar om als metafoor voor het schieten te dienen. Een zin in een vreemde taal, eenvoudig en met een zware lading geeft een simpeler voorbeeld; laat duidelijker zien wat ik bedoel.

"Ik prikte hem aan een twee kilometer lange speld,' laat W.F.Hermans een van zijn personages zeggen. Als we dit menselijk doel even buiten beschouwing laten (ik kom erop terug, de lust tot scherpschieten gaat gemakkelijk samen met de afkeer van het doden, ja, zelf met liefde voor dier en mens) geeft deze beeldspraak het duidelijkst weer waar het plezier van het schieten schuilt. In zijn scherpste vorm is het een nauwkeurige afstandsbediening.

Zo komen we meteen aan de kern van de waarheid. Schieten is een vorm van machtsuitoefening, of zelfs meer dan dat: het uitoefenen van macht om derwille van de macht, dus machtswellust, zoals kunst om de kunst, l'art pour l'art kunstlust is. Daarbij is schieten een van de gemakkelijkste, onschuldigste en snelste manieren om zonder enige verplichting een ogenblik van geconcentreerd geluk te veroorzaken. Met relatief eenvoudig gereedschap, zonder anderen lastig te vallen, beleeft de scherpschutter de lusten van macht en precisie die hem worden bewezen door het effect van zijn schot. Hier zien we de treffende overeenkomst met het schrijven. Schieten of schrijven, pen of geweer, dat maakt niet zoveel verschil meer als je de genoegens eenmaal hebt leren kennen. Het gaat om de zuiverheid, de nauwkeurigheid waarmee het werk wordt gedaan. Het plezier van de pen duurt langer, is intenser en biedt groter variatie omdat de schrijver zijn eigen munitie maakt en in zijn wapenrek buksen, geweren, katapulten en mortieren voor iedere gelegenheid heeft, althans hoort te hebben.

In zijn mémoires, Mon dernier soupir, vertelt Luis Bunuel hoe hij van kindsbeen af zijn schiettuig heeft gekoesterd. Maar, voegt hij eraan toe, ik heb nog nooit een dier gedood, laat staan een mens. De jacht boezemde hem afkeer in. Ook bij hem was het louter het plezier in de zuiverheid van het schot en de liefde voor de machine waarmee deze mystieke bliksemverbinding tussen schutter en doel tot stand wordt gebracht. 't Is meer dan jammer dat het meestal niet zonder bloedvergieten blijkt te gaan. Bij Tsjechov vinden we een verhaal van een arm boertje dat op heterdaad wordt betrapt terwijl hij met een zelfgemaakt geweer op spreeuwen schiet. De rechter vraagt hem of hij het van zichzelf niet laf vindt, die onschuldige vogeltjes te vermoorden. Waarom heeft hij zich daartoe verlaagd? Het boertje antwoordt: "Ik moest schieten edelachtbare.' Als het zo ver is valt er niets meer aan te doen.

Meer dan het pistool of de revolver is het geweer de vereniging van een machine en een precisie-instrument. De machine, door Rudy Kousbroek beschreven als een explosiemotor waarvan de zuiger bij de slag verloren gaat, is geconcentreerd om het punt waar de ontsteking wordt veroorzaakt: het mechanisme van trekker en slagpin, kamer en grendel. Het precisie-instrument bestaat uit de loop met de richtmiddelen, de kolf, de balans van het geheel en natuurlijk de munitie. Machine en instrument hebben samen een eigen schoonheid, zoals een oude auto, een locomotief of een stoommachine mooi kan zijn; liever gezegd: is. Het geheel van het wapen ruikt voor het schot naar olie en staal, en na gedane arbeid nog naar staal gemengd met de geur van verbrande olie en wat we kruitdamp noemen.

Ik denk dat ik van mijn zesde af nooit zonder schiettuig ben geweest: begonnen met een katapult, daarna veel windbuksen; in de oorlog een zelfgemaakt jachtgeweer na de vondst van een kist jachtpatronen in een huis dat door een NSB'er was verlaten; in dienst een Lee Enfield, Bren, Browning punt vijftig en ten slotte een mortier omdat ik in het ondersteuningspeloton van een eskadron met Staghound pantserwagens terecht kwam. Een poosje niets, tot ik, gedeeltelijk domicilie in Frankrijk houdend, ontdekte dat je daar de punt 22 long rifle bij de kruidenier kon kopen. (Die tijd is voorbij). Ik heb in dat land nog een klein arsenaaltje. Hier schiet ik met een Weihrauch windbuks op lege frisdrankblikjes.

Een mooi moment heb ik beleefd op een kermis in New York waar een schiettent was uitgerust met luchtmachinegeweren die met een slang waren aangesloten op een drukvat. Voor vijf dollar kon je een magazijn met honderd kogeltjes leegschieten. Een wonder, een genot!

Dit alles leidt tot de volgende conclusie. Ik ben een fel verdediger van de Nederlandse vuurwapenwet die tot de strengste ter wereld hoort. Bijna iedereen onderschat de verwoestende kracht van de wapens, iedereen die er weinig of niets van weet en denkt "da's gemakkelijk', gaat er misdadig nonchalant mee om.

Daarom schrijf ik de regels van de étiquette nog maar eens op: 1. Ga er altijd van uit dat ieder wapen geladen is. 2. Richt nooit op wie dan ook. 3. Kom niet aan de trekker tot u klaar bent om te vuren.