Haagse problemen al in 1987 vastgesteld

De discussie over de geldtekorten van Den Haag is gisteren opnieuw gesloten verklaard. Burgemeester Havermans stuurde een brief aan de raad: hij heeft er nooit van geweten. Toch hadden gemeenteambtenaren reeds vroeg specifieke kennis van pijnlijke problemen. In een serie over de financiële mores van Den Haag: terugblik op een interne nota uit 1987.

DEN HAAG, 29 JULI. Even ging er een rimpeling over de vijver, maar gisteren was het lokale politieke circuit van Den Haag weer een stil water. Nadat burgemeester A. Havermans er afgelopen zaterdag door twee ex-topambtenaren van de dienst financiën op was gewezen dat hij eind van de jaren tachtig wel degelijk was gewaarschuwd voor de groeiende financiële problemen van de stad, reageerde hij maandag met een formulering waarin de volledige raad zich kon vinden. Dat het tekort zo omvangrijk (260 miljoen) zou worden, dat had hij nooit geweten - wel was hij ervan op de hoogte geweest dat de stad “risico's” nam bij haar beleid in de stadsvernieuwing. Maar, voegde hij toe, daarin was hij geen enkeling: dat wist iedereen.

De mededeling veronderstelt dat het Haagse lokale bestuur in de jaren tachtig een helder, afgewogen zicht had op wat er zich in de stadsvernieuwing afspeelde. Er zijn aanwijzingen voor het tegendeel.

In het archief van de Projectorganisatie Stadsvernieuwing, jaargang 1987, bevindt zich een ambtelijk stuk dat een beeld schetst van de (financiële) kennis die raadsleden hadden wanneer zij plannen voor stedelijke vernieuwing goedkeurden. Het is een vernietigend beeld. Een voormalig ambtenaar van de Projectorganisatie vat het zo samen: “Het college, de raad: ze deden alsof ze wisten waarover ze besloten. Maar die lui hadden geen idéé.”

Dezelfde strekking heeft genoemd ambtelijk stuk, getiteld "Notitie financiële aspecten stadsvernieuwing'. De auteur is een anonymus. Het is een getypte tekst, waarbij in de kantlijn in een klassiek handschrift aantekeningen zijn aangebracht.

Onder het kopje "Besluitvorming grondexploitatie' - verreweg de grootste kostenpost in de stadsvernieuwing - wordt de spanning tussen de informatie aan de raad en de werkelijkheid snel duidelijk. Als de Haagse volksvertegenwoordiging een zogenoemd "beleidsplan' over een wijk in de stadsvernieuwing goedkeurde, was “onduidelijk waar nu precies bestuurlijke besluitvorming” over plaatshad. Er werd derhalve een blanco cheque afgegeven, want “geconstateerd” moest worden “dat (dit) een algehele volmacht betekent tot verwerving” van panden en grond.

Onder het kopje "Planwijzigingen' wordt al evenzeer duidelijk hoe gemakkelijk de praktijk van de stadsvernieuwing zich onttrok aan bestuurlijke controle. “Ons komt het voor”, staat er, “dat de financiële vertaling wijzigt omdat in de praktijk de werkelijke kosten (...) afwijken van de ramingen”. Dat is aan de orde van alledag, maar de kwestie was, aldus de notitie, dat “het in de afgelopen periode voorkwam” dat voorstellen om een project te wijzigen “niet voorzien zijn van (...) de financiële consequenties”. Twee pagina's verder blijkt wat feitelijk de functie van een specifieke motie in de raad (in dit geval over de Schilderswijk) was. “De plangrenzen” werden daardoor “niet herkenbaar”. De raad wist dus niet waartoe ze besloot.

Het kon worden verbeterd, meende de notitie. Ieder plan diende een financiële begrenzing te krijgen: “Op die wijze kan informatie worden verschaft over het verloop van uitgaven in relatie tot het oorspronkelijke raadsbesluit”. En door invoering van tal van nieuwe toetsen kon “de relatie tussen plannen en financiële consequenties zowel op bestuurlijk als ambtelijk niveau weer inzichtelijk worden”.

De auteur van het stuk realiseerde zich dat een grondige analyse van de werkelijkheid enige massage vergde voordat het praktische betekenis kon krijgen. Vandaar dat hij suggereerde zijn voorstellen 31 december 1989 in te voeren. Wethouder Duijvestein, het boegbeeld van de stadsvernieuwing in die jaren, zou het niet meer meemaken. Hij sneuvelde medio 1989 over de stadhuiskwestie.

Voordien zou nog enige jaren - in weerwil van de ambtelijke kennis - de bestaande praktijk blijven bestaan. Uit geen van de stukken die naar de raad werden gestuurd, bleek dat er bij de Projectorganisatie behoefte bestond te wijzen op de werkelijke gang van zaken. In de raad werden slechts zeer sporadisch vragen gesteld over deze kwesties. De pers schreef nog altijd vol enthousiasme over de voortgang van de Haagse stadsvernieuwing. Ook de berichten van de gemeentelijke voorlichtingsdienst bleven uitsluitend gewag maken van goed nieuws. Zo verzond het toenmalig hoofd voorlichting van de stad op 29 oktober 1987 een “notitie” aan de redacties. In de Haagse stadsvernieuwing werden “plannen steeds sneller gevolgd door resultaten”, meldde het bericht, omdat “uitvoerende diensten steeds beter ingespeeld raken op hun taken”. En “door een zorgvuldige planning” zou de gemeente ervoor zorgen “dat de uitgaven de beschikbare middelen niet zullen overstijgen”.

De al genoemde voormalige ambtenaar van de Projectorganisatie Stadsvernieuwing: “We wisten destijds dat we de zaak bedonderden. We wisten alleen niet hoe erg het zou aflopen, terwijl we steeds tegen elkaar zeiden: we doen het voor een goede zaak. Maar nu denk ik wel: het is toch eigenlijk ongelooflijk dat ze ons zo lang op ons woord hebben genomen?”

Er is maar één verklaring voor: de politieke belangstelling ontbrak. Toen medio 1989 een commissie uit de raad in een vernietigend rapport vaststelde dat, bij voorbeeld, in 1987 in plaats van de geplande 115 miljoen een bedrag van 165 miljoen aan de stadsvernieuwing was besteed, bleef het lokale politieke circuit een stil water. Het PvdA-raadslid J. Bakker, dat het rapport destijds tegen de stroom in schreef: “Het enige wat Duijvestein zei was: ach, die Bakker heeft een boekhoudersmentaliteit”.