Alle lof voor Bolkestein, maar de migranten hebben er niet veel aan

"Een teen in het water' van de minderhedendiscussie moest het worden, de lezing over de "De overwinning van het liberalisme' die VVD-leider F. Bolkestein eind 1990 in Amsterdam hield. De Europese en de islamitische wereldbeschouwing zijn niet aan elkaar gelijkwaardig, constateerde hij daarin. Bovendien noemde hij de behandeling van de vrouwen in de wereld van de islam “een smet op het blazoen van die cultuur”.

Meteen volgde een poging om Bolkesteins teen weer uit het water te stoten. Twee inwoners van Zeist en Utrecht deponeerden een klacht bij de Haagse officier van justitie tegen de VVD-leider wegens “het beledigen van een groep mensen wegens godsdienst of levensovertuiging en aanzetten tot haat”. De officier zag dat anders en ging niet tot vervolging over.

Sindsdien zijn er geen pogingen meer ondernomen om Bolkestein voor het gerecht te slepen. Opwinding bleef er echter genoeg. “Stemmingmakerij” (JOVD), “bedenkelijke toer” (minister d'Ancona van WVC), “hij lult uit zijn nek” (CNV-bestuurder Demirhan), “schrijftafeldiscriminatie” (Trouw), het is een kleine selectie van de rotte vis die Bolkestein over zich kreeg uitgestort.

De lof die de voorman der liberalen tijdens de algemene beschouwingen oktober vorig jaar voor zijn pogingen kreeg toegezwaaid om de integratie van minderheden op de politieke agenda te zetten, is verdwenen in een spervuur van kritiek. Groen Links-fractievoorzitter R. Beckers, die vorig jaar Bolkestein nog complimenteerde met zijn aanpak, zei onlangs bang te zijn dat de minderheden zich tot het voornaamste verkiezings-issue van de komende jaren zouden ontwikkelen. Een "politieke fatsoenscode' zou dat moeten voorkomen.

Het is vooral de twijfel over Bolkesteins bedoelingen die de discussie op een dood spoor heeft gezet. Steeds luider klinkt het verwijt dat de VVD-leider stemmenwinst najaagt, een respectabele bezigheid voor politici als het gaat om arbeidsongeschikten of andere bevolkingsgroepen, maar kennelijk niet bij de minderheden. Tijdens de eerder genoemde algemene beschouwingen sprak de Tweede Kamer, inclusief Bolkestein, niets minder dan haar wantrouwen uit in het electoraat door te verklaren dat met het minderhedendebat geen politiek voordeel mocht worden behaald. Alsof de Nederlandse bevolking zelf niet weet wat goed voor haar is.

Door die afspraak werd de discussie over de minderheden al snel verplaatst naar de bedoelingen waarmee het debat werd gevoerd. Partijen zoals de PvdA die nauwelijks meer een samenhangend idee hebben hoe de komst van een etnisch subproletariaat kan worden afgewend, droegen daar aan bij. Bolkestein gaf daar echter ook aanleiding toe door de redenen die hij aanvoerde voor het aangaan van de discussie steeds ongeloofwaardiger te maken.

De VVD-leider noemde herhaaldelijk twee zorgen die hem drijven. “Ik ben bang voor getto's van moeilijk Nederlands sprekende minderheden die alleen van een uitkering leven”, zei hij vorig najaar tegen de partijraad van de VVD. In Elsevier legde hij uit: “Dan heb je een economisch isolement, een cultureel isolement, en een sociaal isolement. Dat is een tijdbom, een recept voor uitbarstingen.” Even later pleitte hij er voor dat “we vooral praktische maatregelen moeten bespreken en de theorie achter ons moeten laten”.

Ten tweede constateerde hij dat het minderhedenprobleem “in de taboe-sfeer is terechtgekomen. Daar wil ik het uithalen”. Het debat is op besmuikte wijze gevoerd, vond hij. “Het vond plaats in kerk en kroeg, maar niet officieel, niet aan de oppervlakte”, aldus de VVD-leider.

Wie daarmee dacht dat Bolkestein vervolgens praktische maatregelen predikend het land door zou trekken, kwam bedrogen uit. Integendeel, na "De overwinning van het liberalisme' bleef Bolkestein beschouwingen ten beste geven over de zijns inziens "gespannen verhouding' tussen liberale en islamitische waarden in de wereld. Hij discussieerde uitvoerig met wetenschappers als de islamitische theoloog M. Arkoun. Die kunnen Bolkestein echter niet vertellen hoe de segregatie tussen Nederlanders en migranten op de arbeidsmarkt, in het onderwijs, in de buurten kan worden tegengegaan.

Ronduit contra-produktief werkte het aan de kaak stellen van misstanden in islamitische landen. Voor Bolkesteins doel - volwaardige deelname van migranten aan het Nederlands maatschappelijk leven - is een oproep tot gehoorzaamheid van alle inwoners aan de Nederlandse wetten voldoende. Bolkestein ging echter steeds een ideologische stap verder.

Hij wees hij er bijvoorbeeld vorig jaar september in Luzern op dat islamitische landen de liberale principes als de vrijheid van meningsuiting en de gelijkheid van man en vrouw niet eerbiedigen. “Deze principes zijn niet alleen goed voor Europa en Noord-Amerika”, voegde hij daaraan toe, “maar voor de hele wereld”. Wie echter islamieten bij de Nederlandse samenleving wil betrekken maar hen herhaaldelijk laat weten dat aan hun cultuur zeer dubieuze kanten zitten, moet niet verbaasd zijn dat zij afstand nemen van diezelfde maatschappij.

Met zijn academische beschouwingen continueerde Bolkestein het beeld dat hij al eerder had gevestigd: meer dat van een intellectualistische debater dan van een bestuurder, bezig om de resten van het, in zijn woorden, “linkse opinieklimaat” uit de jaren zeventig over onderwerpen als minderheden en ontwikkelingssamenwerking op te ruimen. Reeds als minister van defensie (1988-1989) discussieerde hij liever met de Amerikaanse taalkundige Chomsky over de houding van de Westerse intelligentsia tegenover de genocide in Cambodja, dan dat hij in de Tweede Kamer millimeterde over de toepassing van artikel 77a van de wet op het militair tuchtrecht.

De debater Bolkestein staat te ver van de belevingswereld van de inwoners van de binnensteden om centrum-democraten (CD) of kiezers met dergelijke symphatieën richting VVD te loodsen, mocht dat al zijn bedoeling zijn. Opiniepeilingen geven in elk geval geen substantieel grensverkeer tussen de CD en de VVD te zien. Tussen de PvdA en de CD was dat er sinds midden jaren tachtig des te meer.

De belangrijkste uitzondering op de theoretische benadering van Bolkestein vormt het initiatief-wetsvoorstel "Bevordering arbeidskansen allochtonen' dat de VVD samen met, interessant genoeg, Groen Links heeft voorbereid. Dit verplicht werkgevers onder meer aan te geven hoeveel allochtonen ze in dienst hebben en hoe ze dit aantal kunnen vergroten. Of dit initiatief het staatsblad haalt, is overigens nog zeer de vraag. Het kabinet, gesteund door CDA en PvdA, wil eerst de werking van bestaande afspraken tussen werkgevers en werknemers afwachten over het vergroten van het aantal allochtone werknemers.

Ook van het doorbreken van taboes is door Bolkesteins eigen toedoen nog niet veel terecht gekomen. De VVD-leider richtte zijn pijlen voornamelijk op verschijnselen die in Nederland òf al aangepakt worden (ontduiking leerplicht door islamitische meisjes, het uitzetten van criminele migranten), òf nauwelijks voorkomen (polygamie), òf waartegen niets te doen valt zonder het hele wetsbestel overhoop te halen (de stichting van islamitische scholen). Daardoor gingen veel tijd en ergernis aan overbodige discussies verloren.

De VVD-leider komt nog steeds de eer toe het grootste maatschappelijk probleem van deze tijd - het ontstaan van een etnisch subproletariaat - op de Haagse agenda te hebben geplaatst. Wel is de vraag of Den Haag daartegen veel kan ondernemen in een tijd van decentralisatie. Belangrijker is daarom dat minderhedenorganisaties zelf de ernst van de problemen zijn gaan onderkennen. Dat bleek onlangs nog uit een gesprek tussen de VVD en de Islamitische Raad.

Hopelijk gaan politici zich het komende seizoen minder te buiten aan nationale debatten, openbare verklaringen of aan discussies over fatsoenscodes. Die handelen te vaak over bedoelingen of procedures. Ze dragen te weinig bij aan een verbetering van de situatie van de migranten. Het prediken van de liberale overwinning op deze aarde doet dat evenmin.