Albanese politiek toneel van scherpe confrontatie

TIRANA, 29 JULI. Als er iets is verbeterd, zegt Ilir Zhilla, is het de openbare orde. “Vorige maand nog zijn in Fier vijf mensen opgehangen gevonden op het centrale plein van de stad. Maar het is minder. In Tirana wordt niet meer geschoten, 's nachts. Er worden geen meisjes meer ontvoerd.” Het is rustiger, zegt Ilir Zhylla.

Zhylla is hoofdredacteur van het Albanese persbureau ATA, dat met een paar nog niet betaalde computers en twee cassetterecorders de wereld het nieuwe, democratische Albanië presenteert. Een slachtoffer van het stalinisme, hij heeft opgesloten gezeten, de communisten hebben me jarenlang gedwongen als visser te werken, zegt hij. Het heeft zijn uitzicht op de realiteit gevormd, want Ilir Zhylla ziet nog overal communistische samenzweringen. Hij ontkent het - “mijn belangrijkste medewerkers komen uit communistische gezinnen” - maar al te makkelijk geeft Ilir Zhylla de schuld van het vandalisme, die schoten in de nacht, die ontvoeringen van meisjes, aan de communisten, die de samenleving trachten te ontwrichten. Al te makkelijk presenteert hij Gramoz Pashko, na 1990 chef-hervormer, de populaire tweede man van de Democratische Partij tot hij bij president Berisha uit de gratie raakte en onzacht aan de kant werd geschoven, als een man die “zich tegen de Democratische Partij heeft gekeerd en haar in diskrediet heeft gebracht”. En al te makkelijk maakt Ilir Zhylla de ex-communistische Socialistische Partij uit voor communisten, voor “quislings van Belgrado” die zich “altijd al tegen het nationale belang” hebben gekeerd, omdat ze Kosovo nooit voor Albanië hebben opgeëist. En hebben die communisten niet net Spiro Dede aan de kant gezet, de hervormer van de partij? Is dat niet een bewijs van hun totalitaire opvattingen?

Tot op zekere hoogte staat Ilir Zhylla model voor de nieuwe machthebbers in Albanië, de leiders van de Democratische Partij die sinds maart alleen de dienst uitmaken. Aan goede wil ontbreekt het niet: ze trachten oprecht een geruïneerd land op te bouwen. Aan bescheiden successen ontbreekt het evenmin: de duizend ton buitenlands voedsel die dagelijks in Durrës aankomt wordt eerlijk verdeeld. De corruptie wordt bestreden. De openbare orde is hersteld, nog maar luttele maanden nadat de regering had geklaagd over de “psychologische terreur” die uitging van die nachtelijke schoten, de roof van meisjes, de inbraken, de moorden.

Maar de ondertoon van het politieke debat is er toch een van confrontatie, vooral ten aanzien van de socialisten, de ex-communisten. Vergeving en dialoog zijn moeilijk in een land dat een halve eeuw met zelfs naar Oosteuropese maatstaven uitzonderlijk harde hand is geregeerd. De Albanezen zijn een trots volk, en dat de communisten hen tot de bedelaars van Europa hebben gemaakt, wordt hun niet zomaar vergeven. De Albanezen hebben het communisme afgezworen, ze hebben de democratie omhelsd, ze hebben de gele ster uit hun vlag geknipt en de rode ster op hun nummerborden overgeschilderd. Ze hebben Enver Hoxha uit zijn graf op de heuvel boven Tirana gehaald en zijn museum geleegd, die piramide aan de Boulevard van de Gevallen Martelaren die nu door de jeugd van Tirana als reusachtige glijbaan wordt gebruikt. Maar nog elke dag beheerst de afrekening met het communisme de debatten.

Sali Berisha is een charismatisch man. Een hartchirurg, die op de golven van dat charisma president is geworden, in maart. Een emotionele patriot, met een harde stem en een wilde haardos, beweeglijk, warm en hartelijk, hij legt zijn hand op je arm als hij iets wil onderstrepen. Hij geeft hoog op van de politieke stabiliteit van Albanië, maar ook hij geeft in een adem door de schuld van de post-communistische misère aan de ex-communisten: de drie overgangsregeringen na de val van het communisme - coalities van zijn eigen Democratische Partij en de socialisten - waren “verschrikkelijke regeringen”, die “een vreselijke corruptie toelieten”, en “enorme schade hebben aangericht”. Ook hij ziet samenzweringen: “Waarom zijn alle vernielingen opgehouden na maart, toen we alleen gingen regeren?” Veel stakingen, zegt Sali Berisha, zijn politieke stakingen, soms hebben stakers gelijk, want we zitten met oude wetten en oude opvattingen, maar er zijn ook politieke stakingen, met onrechtvaardige eisen, en die accepteren we niet. En wie organiseert die stakingen?

Spiro Dede is de laatste jaren het liberale, hervormingsgezinde gezicht van de communistische, later socialistische partij geweest, een kleine man met een rond hoofd en levendige bruine ogen. Nee, zegt hij, Albanië is niet stabiel. “Was het maar waar. Er is geen consensus.” De Democraten en de socialisten zouden moeten samenwerken, zegt Spiro Dede, ze hebben een doel gemeen: een welvarend Albanië. “Maar die partijen zien elkaar als vals, als onwaarachtig. Voor de Democraten zijn wij een monster.” Het dient nergens voor, zegt Spiro Dede, het is niet in het landsbelang.

De socialisten, zegt hij, hebben lang gevraagd om een ronde tafel, met de grote partijen, de regering, de vakbonden. “De Democraten hebben die uitgestoken hand geweigerd. Ze hebben hun absolute meerderheid in het parlement. Ze hoeven niet met ons te praten. En na zoveel pogingen zijn de socialisten het nu ook beu, ze zijn geradicaliseerd, nu willen ze daar ook geen ronde tafel meer.” Nee, zegt Spiro Dede, er is veel polarisatie. “De atmosfeer is er een van verhitte gemoederen. De vonken vliegen er van af. Het is stom. Het is gevaarlijk.”

Spiro Dede is door zijn partij afgedankt. Hij is werkloos nu, mijn uitkering, zegt hij, is niet genoeg voor mijn sigaretten. Mijn val, zegt hij, is een van de consequenties van de radicalisering van mijn partij. “De extremisten hebben de wind in de zeilen. De economische misère leidt tot desillusie. Veel mensen zijn teleurgesteld, resultaten blijven uit. Alle partijen hebben teveel beloofd. Dat zet de socialisten onder druk: de communistische vleugel wordt door de ontevredenheid aangemoedigd.”

Dat ik niet ben herkozen, zegt hij, betekent niet dat de Socialistische Partij, zoals de Democraten beweren, door communisten wordt geleid: de leiding is democratisch, ze heeft alleen moeite zich aan de democratie aan te passen, er is hier en daar nostalgie naar het verleden, zegt Spiro Dede, maar communistisch, nee, dat is overdreven.

Het overtuigt de Democraten niet. Aleksander Meksi, premier sinds maart, is de alter ego van zijn president, een koel, nukkig mannetje met een bril en een snorretje, weinig haar, weinig woorden. Een archeoloog, een amateur in de politiek, net zoals zijn ministers, de arts op buitenlandse zaken, de ingenieur op binnenlandse zaken, de wiskundeleraar op defensie.

Een ronde tafel met de socialisten - geen sprake van, zegt Meksi in zijn kantoor vlak naast het voormalige Enver Hoxha-museum. “Ik wil niet praten met de socialisten. De socialisten willen geen democratie.” Hij geeft toe: er is veel teleurstelling. “Maar we kunnen de zaken niet in drie dagen veranderen.” We moeten de Albanezen zien te overtuigen, zegt Meksi. “We doen ons best. Onze ministers, onze specialisten, ze zijn elke dag op tv. Albanië is verwoest. Het gaat niet zo snel.” Hebben de partijen in maart de bevolking teveel beloofd? Misschien, zegt Meksi, “maar niet wij, niet de Democraten. De anderen, die wel.” Kan de ontevredenheid tot sociale onrust leiden? Misschien, zegt Meksi. Kan die onrust zijn regering bedreigen? Misschien, zegt hij, voor de derde keer: een man van weinig woorden.

Natuurlijk kan die sociale onrust zijn regering bedreigen, zegt Spiro Dede. “Albanië heeft geen democratische tradities. Veel Albanezen hebben al twee jaar niet gewerkt. Krijg die maar eens aan het werk. Dat kan ook Meksi niet, met al zijn goede wil. Hij heeft geen ervaring. Die ministers praten veel, maar niemand merkt er iets van. Ze beloven snelwegen, maar ze beloven al drie jaar snelwegen. Ze hebben het over de mogelijkheden van het toerisme, maar in drie jaar is er niet één toeristenbed bij gekomen. Ze hebben het over de privatisering, maar die hebben ze net tot staan gebracht om een onderzoek in te stellen naar geruchten dat de communisten dankzij de privatisering rijk worden.” Ik ben niet tegen een onderzoek, zegt Spiro Dede, maar ik ben wel tegen de stopzetting van de privatisering.

Zo komt ook onder de Democraten de sociale onrust dichterbij. “En als het tot onrust komt, zal die verschrikkelijk zijn”, zegt Dede. Deze herfst, deze winter, dat zijn cruciale perioden, dan zien we of de democratie het redt.

Het gaat beter met Albanië dan een jaar geleden, dankzij de buitenlandse hulp, en dankzij de boeren die weer aan de slag zijn gegaan. Maar het gaat langzaam, te langzaam. De Albanezen, zegt een vriend, klagen steen en been, het is hun recht nu, klagen mag, het is onze grootste overwinning. Maar ze zijn moe. “De regering doet iets. Maar de regering praat vooral. Ik geloof mijn oren niet meer. Ik geloof alleen mijn ogen nog.”